Het is nog heel druk in mijn hoofd

Van stagiair tot de jongste museumdirecteur van Nederland. Anne Kremers (24) leidt sinds dit weekend Villa Mondriaan. „Kan niet bestaat niet voor mij.”

Verslaggever

Het was een van de eerste stagedagen van Anne Kremers in Villa Mondriaan, een week voor de opening van het nieuwe museum door prinses Beatrix. Een hiphopplaat van een medewerker van de technische dienst dreunde te midden van de vroege werken van de Nederlandse kunstschilder. Een prikkelende gedachte. Waarom zouden bezoekers straks zwijgend door de Achterhoekse villa schuifelen waarin Mondriaan opgroeide?

Kremers (24) zou het vanaf deze week kunnen veranderen. Conservator Wim van Krimpen (72) – voormalig directeur Kunsthal en Gemeentemuseum – koos haar als opvolger. Van stagiair tot de jongste museumdirecteur van Nederland. Ze moet de master Arts & Culture aan de Universiteit Leiden nog afronden.

En nee, Kremers zal Villa Mondriaan echt niet in een club veranderen, vertelt ze in het café van het Winterswijkse museum, dat 52 vrijwilligers heeft. Maar ze streeft wel naar een eigentijdser museum – artistiek en commercieel. „Ik ben een idealist en kan me heel boos maken over wat me stoort”, zegt ze. „Ik zal vast een paar keer op mijn bek gaan en dan ergens heel anders tegenaan kijken. Maar dat gebeurt een vijftiger net zo goed als een twintiger.”

Als achttienjarige verliet je de Achterhoek om te studeren in Rotterdam. Was het altijd je plan om terug te keren?

„Niet zoals het nu is gelopen. Ik heb een beetje een grote mond, weet wat ik wil – dat kan intimiderend zijn. Dit is toch de streek van: doe maar normaal. Daar ben ik voor gevlucht. Maar in Rotterdam miste ik de stilte die ik gewend was. Ik vond mijn rustmomenten in Boijmans Van Beuningen. Zeker bij de vaste collectie, waar soms niemand is, vond ik contemplatie, even bezinning. Terug in de Achterhoek waardeer ik juist alles waar ik vroeger een hekel aan had: natuur, rust, elkaar groeten op straat.”

Is dat ook te merken in Villa Mondriaan?

„Mensen zeggen soms dat we hier zo aardig zijn. Alsof een museum meestal snobistisch is. Vorig jaar bezocht ik het Museum of Modern Art in New York, dat had een hoogtepunt moeten zijn. Maar het duurde drie kwartier voordat ik mijn jas kon ophangen en ik werd behandeld als een stuk vuil. Hier komen de meeste bezoekers van buiten de Achterhoek. Dan wijs je mensen dus de weg naar de markt en zeg je: kijk ook even bij de gietertjes van het hobbyhuis en loop eens naar de slager voor de kampioensworst.”

Je bent nu bezig met het samenstellen van je eerste expositie. Waaraan zal de bezoeker jouw inbreng zien?

„Ik zou het nog niet durven zeggen. Het is nog heel druk in mijn hoofd. Het zal om een tijdgenoot van Mondriaan gaan, aangevuld met hedendaagse kunst. Ik hoop een apart verhaal te laten zien, misschien een beetje te shockeren. Gelukkig helpt Wim van Krimpen me. Ik ben echt wel onzeker, ik laat het alleen niet merken. Maar ‘kan niet’ bestaat niet voor mij.”

Je wilt graag dat scholen het museum bezoeken. Hoe betrek je jongeren bij kunst?

„We verwachten te veel van kinderen. Hun eerste ervaring met kunst is vaak negatief. Een vmbo-klas moet in de bioscoop meteen arthouse kijken, in plaats van een Hollywoodfilm met een goed verhaal. Dan gooi je ze echt in het diepe. Met ckv moeten ze meteen allerlei stromingen herkennen in schilderkunst. Ik ben geen pedagoog, maar ik zou eerst zorgen dat ze een leuke tijd hebben, zodat de associatie met kunst positief is, in plaats van stoffig en saai.”

Wat zou je dan anders doen in musea?

„Ik heb bewondering voor Wim Pijbes [directeur Rijksmuseum]. Hij laat iedereen zich welkom voelen, jong of oud, hoog- of laagopgeleid. Maar dat is niet overal het geval. Vooral musea met hedendaagse kunst kunnen ontoegankelijk zijn. Soms vraag ik me af of de conservator het zelf wel snapt. Dan zijn de tentoonstellingsteksten niets, gebakken lucht. Ik denk ook dat elk museum eens per jaar een blockbuster moet hebben, een publiekstrekker. Met het geld dat je genereert, kun je dan die experimentele tentoonstelling houden voor de kleine groep kenners. Nu hebben musea soms dertig tentoonstellingen per jaar. Je kunt mij niet vertellen dat de gemiddelde bezoeker het verschil nog ziet. En dan zijn de collecties verspreid over kleine instellingen die nauwelijks met elkaar samenwerken. Zeker in de Randstad kunnen fusies tussen musea geen kwaad.”

De culturele sector worstelt met de bekostiging van kunst. Hoe zou jij het doen?

„‘Nederland schreeuwt om cultuur’, was de campagne een paar jaar geleden. We hebben wel uniek erfgoed, maar we willen er niet voor betalen. Margaret Thatcher kortte in de jaren ’80 de overheidssubsidies van de Britse kunst en zei tegen bedrijven en private instellingen: nu is het jullie beurt. Dan straal je uit dat het belangrijk is. Wat doen we hier? De overheid heeft eerst de culturele sector jaren gepamperd en daarna alles laten vallen, zonder vangnet. Kunst zou maar een linkse hobby zijn. Zo werkt het niet. ‘Daar geef je om’, is nu de campagne. Dat had je beter drie jaar geleden kunnen zeggen, vóór de bezuinigingen. Ik denk dat we steeds meer zullen zien dat bedrijven investeren in kunst om hun goede naam te behouden. Maar hoe ver ga je daarin? Blijft het bij een zaal met een bedrijfsnaam of wil je een complete pr-ruimte en elke avond borrels, zoals in Londen?”

Hoe ziet het ideale museum eruit?

„Als uitnodigende plek waar mensen op hun gemak van kunst kunnen genieten – zonder entree te betalen. Waar je in je lunchpauze even naar je favoriete kunstwerk komt kijken. Een ontmoetingsplek voor alle leeftijden, waar mensen over kunst praten. Het lijkt alsof daar een bepaalde angst voor is. Iedereen mag meepraten over films en politiek, maar bij kunst is het net of je een soort basiskennis nodig hebt. Je kunt ook iets mooi vinden zonder de achtergrond te kennen en heel serieus te kijken.”