Friezen in de rook

‘Friezen”, zei een meisje achter me, „daar kun je een bom onder gooien, blijven ze nog stilstaan.” „Er is er niet één die uit z’n naadje gaat. Echt knap”, zei een tweede meisje. „Nóg niet”, zei een derde, „nóg niet.”

Hun ogen bleven de dieren volgen, die traditiegetrouw oefenden op het strand van Scheveningen. Er woei zo’n wind die ijsblokjes tegen je slapen duwt. Wie hier kwam, was of paardengek of opa met kleinkind.

Of van de pers. De paarden draafden hun rondjes om een kluitje fotografen, een stuk of twintig. Ze hadden allen de opdracht om exact dezelfde foto te maken als vorig jaar, maar net even anders. De paarden moeten voorbereid zijn op rookbommen en rellen, heet het. Maar de laatste rellen tijdens Prinsjesdag dateren uit de tijd dat de cavalerie nog sabels droeg. Tegenwoordig is de massa niet meer gevaarlijk; het gevaar komt nu van één zonderling die geruisloos een waxinelichtjeshouder werpt; daar kun je geen paard op trainen. De enige reden om jaarlijks die napoleontische veldslag na te spelen, is omdat elk jaar die foto in de krant moet, van dat paard in de rook.

Wat je op die foto niet ziet, is dat het spektakelgedeelte met de rookbommen maar heel even duurt. Het grootste gedeelte van de oefening, een kwartier of drie, maken de paarden rondjes, terwijl reservisten rotjes afsteken en kinderen gillen.

„Een echt huzarenstukje”, zei de speaker halverwege.

Het duurde zo lang dat je ging hopen op een rebels paard dat weggaloppeert, de horizon tegemoet, doei. Een mens moet soms nee zeggen en een dier net zo goed. Maar paarden zijn koeien. Ze bleven gedwee en traditiegetrouw hun rondjes maken, alsof ze de antieke paardencarrousel even verder op de boulevard imiteerden – behalve dan dat die draaimolenpaardjes vrolijk keken. De echte paarden hadden die droevig-vermoeide blik van Ron Fresen; je zag ze denken: waarom ik, in vredesnaam, en waarom op deze vroege maandagochtend?

Een paar paarden leken bang, met opengesperde ogen en wegdraaiende oogbollen, zoals op oude schilderijen van veldslagen; geen oog zo eng als een paardenoog. Maar ik ben geen paardenkenner, spreek hun lichaamstaal niet, misschien walgden ze gewoon van de vroege herfst, misschien waren ze wel verliefd, of schaterlachten ze om de mensen in de kou met hun folklore, om de soldaten met rotjes, om het trompetterkorps dat Army of the Nile speelde aan de Noordzee.

„’t Is wél fris, godverdomme”, zei een van de meisjes achter me. Even later vertrok het drietal richting boulevard. Toen de grote finale kwam – een charge van de ruiterij samen met pantservoertuigen – zaten er gaten in de linie van toeschouwers. Zelf had ik ook de warmte opgezocht, in het Kurhaus, waar ik een kop koffie kocht, drie euro vijftig, maar met uitzicht op die lieve, bruine blubberzee, waar de garnalen wonen, en wier golven altijd blijven oefenen, heel traditiegetrouw, ook als niemand kijkt.

Arjen van Veelen (a.v.veelen@nrc.nl) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Margriet Oostveen (m.oostveen@nrc.nl)