Column

Hoe zoek ik zo’n doos uit?

Aangewakkerd door mijn goede voornemens om in het nieuwe huis nu een keer écht georganiseerd te zijn en écht te begrijpen wat er zich bevindt in alle kartonnen dozen die ik telkens weer meesleep, besloot ik die ene doos te gaan uitzoeken. De doos waarin ik alles bewaar wat ik voor het gemak Persoonlijk noem, alsof mijn huis een soort weinig geïnspireerd archief is. Het bleek, uiteraard, een doos van Pandora. Niet veel later zat ik in de studeerkamer, omringd door een rommelige berg van foto’s, liefdesbrieven, verfrommelde ansichtkaarten, polaroids en bierviltjes, terwijl ik staarde naar een uitgescheurd velletje uit een schrift waarop ik als veertienjarige een oeverloze monoloog hield tegen een vriendin uit een andere klas.

En het vreemde was: ik vond het onbehaaglijk. Ik had verwacht dat ik overspoeld zou worden door een soort zoete melancholie, dat ik vertederd zou raken en af en toe mijn ogen zou deppen met een Kleenex terwijl ik iets dacht als: de tijd! God, waar blijft de tijd! Wat is alles toch relatief! In plaats daarvan vond ik het moeilijk om oude liefdesbrieven te lezen, raakte ik in paniek als ik de naam onder een ansichtkaart absoluut niet kon thuisbrengen en was het geen pretje om mijn eigen dagboeken terug te lezen – vol ‘YESSSS ik ga van hem dromen vannacht! Zou hij al een keer gezoend hebben? Ik hoop maar dat hij geen groentje is’, maar ook misplaatst gewichtige uitdrukkingen als ‘en toen moest ik met lede ogen aanzien’, alsof ik me zelf graag voordeed als een vierhonderd jaar oude vampier, voor eeuwig gevangen in het lichaam van een veertienjarig meisje.

Mijn eerste gedachte was: hoe zoek ik zo’n doos uit? Hoe bedenk ik wat belangrijk is en wat niet – zeker als het erdoorheen spitten vooral een vaag gevoel van ongemak oplevert? Waarom zou ik het dan bewaren?

Mijn tweede gedachte was: waarom zoek ik dit eigenlijk uit? Iets uitzoeken impliceert immers dat je er iets van nodig zal hebben in de toekomst. Je zoekt die rommelbak met schroeven uit zodat je de volgende keer precies weet waar de kruiskopschroefjes liggen. Maar herinneringen? Wanneer gebruik ik die, heb ik die nodig, wanneer ga ik er eens echt voor zitten om alle herinneringen eens goed te beleven?

Ik begreep dat dít het was. Het uitzoeken was al het einddoel. Dit was waarom ik het bewaarde: zodat ik het af en toe weer onder ogen zou krijgen tijdens verhuizingen of plotselinge opruimwoede.

Verjaardagskaarten en brieven van vage schoolvriendinnen heb ik weggegooid. De meer persoonlijke brieven, foto’s en kaarten heb ik bewaard. Omdat ze onvervangbaar zijn. Omdat ze een gevoel veroorzaken, ook al is dat niet per se aangenaam. Omdat er vast weer keren komen dat ik denk: laat ik die doos gaan uitzoeken, en ik nog niet weet wat ik dan belangrijk zal vinden.