Gemeenschap moet meer van het individu eisen

Wederkerigheid dient een logisch uitgangspunt in het maatschappelijke verkeer te zijn, meent Wopke Hoekstra. Solidariteit gaat niet vanzelf; daar zijn offers voor nodig.

Illustratie angel boligan

Onlangs sprak ik in de Eerste Kamer met de Nierstichting. Doel was om van gedachten te wisselen over de Nederlandse donorproblematiek. Het huidige ‘opt-in’ systeem creëert te weinig aanbod. Patiënten staan vaak lang op wachtlijsten en overlijden soms voordat er een orgaan beschikbaar is. Als oplossing pleit de Nierstichting voor het ‘geen-bezwaar’ systeem, waar de politiek eerder van afzag.

Bij een ‘geen-bezwaar’ systeem zijn uiteraard allerlei argumenten voor en tegen te bedenken. Maar de vraag die na afloop van het gesprek bleef hangen was een andere. Is het redelijk dat degenen die bewust wel en die bewust geen donor zijn, dezelfde kans maken op een donororgaan, terwijl er een tekort aan organen is? Is dat werkelijk eerlijk? Kunnen we dat zomaar wegschrijven onder de noemer van solidariteit?

Ander voorbeeld. De Nationale Hypotheekrente Garantie (NHG) is „dé garantie op hypotheken tot 290.000 euro”, aldus de website. Indien de opbrengst van een verkochte woning onvoldoende is om de hypotheekschuld af te lossen, betaalt de Stichting Waarborgfonds Eigen Woning de restschuld. Dat wil zeggen: in geval van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, het overlijden van de partner of echtscheiding.

Eerder dit jaar berichtten diverse media dat het aantal mensen dat een beroep doet op de NHG vanwege echtscheiding sterk is toegenomen. Die toename zou het gevolg zijn van fraude. De directeur van het Waarborgfonds bevestigde de toename door echtscheiding, maar ontkende de fraude. In zijn optiek is de stijging uitsluitend het gevolg van gedaalde huizenprijzen. Dat fraude moet worden aangepakt, behoeft geen betoog. Maar stel nu dat het geen fraude betrof, maar ‘echte’ echtscheiding. Anders dan werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en overlijden is echtscheiding een keuze, in ieder geval van een van de twee partners. Natuurlijk staat het mensen vrij om te trouwen. Zoals het hen ook vrij staat, en moet staan, om weer te scheiden. Maar is de keerzijde van die vrijheid niet verantwoordelijkheid? Verantwoordelijkheid tot en met de bij het volle verstand aangegane hypotheek aan toe? Anders gezegd: ligt het voor de hand dat de gemeenschap betaalt wanneer twee mensen ervoor kiezen hun huwelijksovereenkomst te ontbinden en vervolgens de hypothecaire restschuld niet kunnen voldoen? Terwijl er wordt gesneden in de gehandicaptenzorg, de armoedebestrijding en de kinderbijslag?

Medio 2011 (her)startte Henk Kamp, toen nog minister van Sociale Zaken, het debat over de verhuisplicht voor werklozen. Mensen met WW of bijstand zouden zo nodig bereid moeten zijn om te verhuizen voor een baan, op straffe van het korten van hun uitkering. Zijn tegenstanders wezen dit voorstel als hardvochtig van de hand. Wat als de partner van de werkzoekende ook een baan heeft? Wat als een Limburger naar Friesland moet verhuizen? Kamp was wat de WW betrof wat kort door de bocht. Maar dat doet niet af aan de principiële vraag: mag de gemeenschap, die betaalt voor de WW, van het individu verwachten dat hij het maximale doet om weer voor zichzelf te zorgen, en dus weer aan het werk te gaan? En zo ja, mag de gemeenschap dan ook van het individu verwachten dat hij bereid is te verhuizen, al brengt dat ongemakken met zich mee, als dat nodig is om weer aan het werk te komen? Ligt dat bovendien niet voor de hand tegenover bijvoorbeeld de politieagent, de verpleegkundige of de leraar? Die hard werken, inspannend werk hebben, vaak modaal of minder dan modaal verdienen, en toch een substantieel deel van dat inkomen via belasting weer inleveren, ook om uitkeringen mogelijk te maken.

De donorproblematiek, de ruimhartigheid van de Nationale Hypotheek Garantie, het niet willen verhuizen voor een baan: het zijn voorbeelden in een langere reeks. En zij zijn symptomatisch voor een bredere vraag. De vraag in hoeverre wij wederkerigheid als een logisch uitgangspunt beschouwen in het maatschappelijke verkeer. Tussen burgers onderling lijkt er geen probleem. De burger is dermate assertief dat hij zich de kaas echt niet door een ander van het brood laat eten. Maar eist de gemeenschap voldoende wederkerigheid van het individu? Ik vermoed van niet. En dat lijkt mij een potentiële bom onder de solidariteit, waarop onder meer de sociale zekerheid en de gezondheidszorg zijn gebouwd.

Wederkerigheid, reciprociteit, quid pro quo: ongetwijfeld is er een spindoctor te vinden die er een aantrekkelijker label voor weet te verzinnen. Maar het lijkt me bij uitstek een ordeningsprincipe dat Nederland kan helpen bij het terugvinden van de weg uit het moeras van de goede bedoelingen. Wat dat betreft is het rapport dat de Raad voor de Volksgezondheid eerder dit jaar uitbracht een goed begin. De titel? ‘Het belang van wederkerigheid. Solidariteit gaat niet vanzelf.’