De rode lijn heeft gewerkt in Syrië, met dank aan Rusland

Argwaan is geboden bij het resultaat van de Russisch-Amerikaanse besprekingen over Syrië, maar het voorlopige resultaat kan als een belangrijke stap vooruit worden beschouwd. Syrië belooft een overzicht te geven van de chemische wapens waarover het beschikt – tot voor kort ontkende het regime van president Assad dat er zulk wapentuig in het land was. Die gifgaswapens worden vernietigd, en Syrië sluit zich, als een van de laatste landen, aan bij het in 1997 van kracht geworden internationale Verdrag Chemische Wapens, dat de productie, het bezit en het gebruik ervan verbiedt.

Natuurlijk is er reden voor scepsis. Vertelt Syrië straks de waarheid en de hele waarheid als het binnen een week de lijst op tafel legt van de chemische wapens die het bezit? Is het niet heel onwaarschijnlijk dat vernietiging hiervan al in 2014 kan zijn voltooid, zoals in het akkoord staat? Wil Syrië dat echt? Hoe moet dat in zijn werk gaan in een land waar een verwoestende burgeroorlog woedt?

Het is terechte twijfel en dus is het geboden dat, zoals de Verenigde Staten en Rusland (met instemming van Frankrijk, Verenigd Koninkrijk en China) hebben afgesproken, sancties tegen Syrië als dreiging achter de hand worden gehouden. Een resolutie in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties moet die optie mogelijk maken, waarbij de Amerikanen geweld in laatste instantie niet uitsluiten.

De Russische president Poetin en zijn minister van Buitenlandse Zaken Lavrov is de laatste tijd veel lof toegezwaaid voor de strategische wijze waarop zij hebben geopereerd, nadat de Amerikaanse ambtgenoot van Lavrov, Kerry, op een persconferentie vermoedelijk onbedoeld de suggestie van chemische ontwapening op initiatief van Syrië zelf had geopperd. Als er één land is dat invloed op het beleid van Assad kan uitoefenen, is het zijn bondgenoot Rusland. Dat hebben de Russen met succes gedaan.

Maar president Obama’s rode lijn heeft evenveel aan dit resultaat bijgedragen. Die trok hij vorig jaar; als het Syrische regime zou overgaan tot de inzet van gifgas, zou de lijn zijn overschreden en kon een reactie niet uitblijven. Een militair antwoord is er niet gekomen; met behulp van Rusland is het resultaat gelukkig langs diplomatieke weg gerealiseerd. Maar het is moeilijk denkbaar dat het Syrische regime tot zijn concessies zou zijn gekomen zonder de Amerikaanse dreiging van gewelddadige repercussies.

Het optreden van Obama en Kerry werd wellicht niet gekenmerkt door standvastigheid en rechtlijnigheid; maar wie het resultaat belangrijker vindt dan de middelen kan niet anders concluderen dan dat de rode lijn het begin heeft gevormd van wat het einde van de chemische wapens in Syrië moet worden.

De kans dat de Syrische bevolking nog eens met de gruwelijke gevolgen van het gebruik van gifgas wordt geconfronteerd, is nu kleiner. Dat is, helaas, voor de burgers van Syrië, het enige winstpunt, vooralsnog. De burgeroorlog woedt voort; opposanten en regering staan even onverzettelijk en onverzoenlijk tegenover elkaar. Alleen vredesbesprekingen met alle betrokken partijen kunnen aan dat geweld een einde maken. De kans daarop is voorlopig klein. Maar niet geheel afwezig als de Verenigde Staten en Rusland hun nieuw verworven consensus nog eens effectief weten in te zetten.