39.520 euro in je plastic tasje, en tóch vrijspraak

Een man rent weg met een tasje vol bankbiljetten. Toch wordt hij vrijgesproken.

Het OM had iets vergeten op de dagvaarding te zetten.

De Zaak. De politie houdt een man aan met een plastic tasje met 39.520 euro aan bankbiljetten erin. De man zegt dat met de handel in kleding te hebben verdiend. De politie gelooft dat niet. Ze vindt bovendien onder zijn sandaal een geel plakbriefje met daarop exact het bedrag uit het tasje. Het OM vervolgt hem voor ‘schuldwitwassen’. Ofwel het verkrijgen van geld onder omstandigheden die ‘aanmerkelijk of grof onvoorzichtig’ zijn.

Waarom was de man verdacht? Agenten dachten hem te herkennen als verdachte van bedreiging. Toen zij hem wilden aanspreken, holde hij hard weg. Bij aanhouding kon hij zich niet legitimeren. Op het bureau zagen de agenten het geld.

Hoe verloopt het verhoor? De (buitenlandse) verdachte mocht tevoren met hulp van een tolk bellen met een advocaat. Maar dat loopt niet goed. Hij kan niet horen wat er wordt gezegd. Bij het verhoor zegt hij eerst met een advocaat te willen overleggen en pas dan uitleg te geven.

Hoe luidt zijn verweer? Ik had niet aangehouden mogen worden, want ik lijk totaal niet op de gezochte persoon. Alles wat bij mij is aangetroffen of vastgesteld, is dus onrechtmatig verkregen. Ik heb ook niet volgens de regels voor het verhoor met een advocaat kunnen spreken. Verder ben ik in het Handelsregister ingeschreven als handelaar. Mijn verklaring over het geld is dus wél aannemelijk.

Wat zegt de officier?

Voor de politie vluchtende mannen met plastic tasjes vol geld en plakbriefjes onder hun sandaal waarop het totaal staat vermeld, zijn vrijwel zeker criminelen. Dat de man textielhandelaar is, is niet aannemelijk. Zijn inschrijving dateert nota bene van ná zijn arrestatie.

Hoe oordeelt de rechter? Dat de man kennelijk leek op de bedreiger en wegrende, is genoeg om hem staande te houden. Maar dat hij voor het politieverhoor niet correct met een advocaat kon spreken, weegt zwaar. Zijn verklaringen op het bureau mogen niet meetellen als bewijs.

De rechter vindt witwassen bewezen. Iemand onder die omstandigheden moet een „concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld geven”. Dat de man handelaar is, is onwaarschijnlijk gezien de datum van inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Een „begin van onderbouwing” dat het handgeld is, ontbreekt.

De rechter ziet er opzetwitwassen in. Het kan niet anders dan dat dit geld een niet-legale herkomst heeft, en dat de man daarvan wist. Dat hij alleen maar erg onvoorzichtig is geweest – wel ‘verkeerd’ geld bij zich, maar niet weten van de dubieuze herkomst – kan niet worden afgeleid uit de combinatie van een plakbriefje en het plastic tasje. Van schuldwitwassen is dus geen sprake. De man wordt vrijgesproken en krijgt het geld terug. Het OM heeft het verkeerde misdrijf ten laste gelegd; het had behalve schuldwitwassen ook opzetwitwassen op de dagvaarding moeten schrijven.