1672, en de stemming zit er niet in

1672 was een rampjaar in de Republiek: oorlog, oproer, kapingen en stromen vluchtelingen Uit 195 gekaapte brieven bleek dat de stemming ronduit somber was En de vrouwen moesten sterk zijn

Redacteur sociologie

Op 29 mei 1672 laat Barbertje Pieters uit Amsterdam aan haar zoon Pieter Dircksse op Curaçao schrijven: ‘Er wordt hier flink wat volk opgetrommeld voor de schepen en het leger, het is hier heel droevig.’ (‘De trommel gaet hier lustigh in swan om volck te water en te lant aen te nemen, het twelck hier seer droevigh is.’)

Hier klinkt de stem van een gewone vrouw uit 1672, het jaar dat in de Nederlandse geschiedenis bekend staat als het Rampjaar. In april verklaren Frankrijk en Engeland de Republiek de oorlog. Kort daarop volgden Münster en Keulen. In de steden lopen trommelslagers rond die mannen ronselen voor het leger en de vloot. Barbertje is in Amsterdam, dat volstroomt met vluchtelingen. Ze is niet zeker of zij haar zoon ooit terug zal zien.

In het oorlogsjaar 1672 is de Republiek in de greep van onrust, onzekerheid en oproer. Zeeslagen met de Engelsen, Fransen die steden innemen, oproeren in Zeeuwse en Hollandse steden, vluchtelingenstromen naar het westen van de Republiek, schepen die worden gekaapt. Die onzekerheid wordt indringend verwoord in de vele brieven die Judith Brouwer, historisch taalkundige, onder de loep nam en waarop ze vorige week in Groningen promoveerde.

Over het Rampjaar is al veel geschreven, maar altijd van bovenaf. „Via deze brieven”, vertelt Brouwer „kunnen we naar de gebeurtenissen kijken van onderop.”

De brieven worden bewaard in de National Archives in Engeland. Ze behoren tot de ruim duizend Nederlandse poststukken die in de zeventiende en achttiende eeuw in beslag zijn genomen op door Engelsen gekaapte Nederlandse schepen.

Brouwer keek naar de 195 gekaapte brieven uit 1672. De helft daarvan is geschreven door zeemansvrouwen aan hun echtgenoten overzee, in Batavia en op Curaçao; de rest door anderen met verre relaties. Ze gaan allemaal over het leven in een land in oorlog. Brouwer: „Dat je in de kustgewesten veilig was, wist men toen nog niet. De Fransen stonden in Utrecht en kwamen tot bij Ouderkerk.”

De meeste brieven komen uit Holland, elf komen uit Zeeland. Slechts een klein deel van de briefschrijvers had de status van burgers (‘poorters’), met rechten en privileges in hun woonplaats. Brouwer: „De meesten stonden zo laag op de maatschappelijke ladder dat ik ze niet eens in de doop-, trouw- en begrafenisregisters heb gevonden.”

Het taalgebruik varieert met de maatschappelijke positie. „De eenvoudigste briefschrijvers”, zegt Brouwer, „klampen zich vast aan formules uit zogenoemde ‘brievenboeken’, handleidingen voor het opstellen van een brief. Deze mensen hoefden in het dagelijks leven nauwelijks te schrijven .”

Het beeld van de vrouw in het zeventiende-eeuwse Nederland is vooral gevormd door verslagen van reizigers die de Republiek aandeden: vrijgevochten, op het bazige af, en met een sterke schoonmaakdrift. Brouwer: „Dat beeld wordt deels bevestigd door de brieven. Over schoonmaken schrijft niemand, maar omdat veel vrouwen in de Republiek zeevarende mannen hadden en nooit wisten wanneer hij thuis zou komen, was hun inkomen onzeker en moesten ze in hun eentje voor de kinderen zorgen. Ze moesten dus wel vrijgevochten en zelfstandig zijn. En dat lees je ook.”

In Holland en Zeeland, zo klinkt door in de brieven, bestond in 1672 grote onzekerheid. „Er deden veel berichten de ronde, er was een stortvloed aan politieke pamfletten en er verschenen twee keer per week kranten. Maar de bronnen spraken elkaar tegen en dat droeg bij aan de onzekerheid.”

Brouwer raakte tijdens het brieven lezen regelmatig ontroerd. „We lezen over veel ellende. Een echtgenoot, die voor de VOC werkt, heeft zoveel schulden gemaakt dat na zijn vertrek allerlei schuldeisers aan de deur komen, tot en met de barbier. Intussen doen verhalen de ronde dat manlief zich in Batavia klem zuipt. En zij zit met de zorg voor haar zoontje en twee pleegkinderen. Hartverscheurend.”

De brieven staan op www.brievenalsbuit.inl.nl van de Universiteit Leiden.