Zuid-Europa is nieuw Oost-Europa

Sinds 1989 heeft de kloof tussen Oost- en West-Europa plaats gemaakt voor die tussen Noord en Zuid, aldus Matthijs Lok. Het Noorden draait op voor ‘luie’ olijfetende belastingontduikers.

Elke dag duidt een stoet van alwetende economen en kenners van het bankwezen de financiële en economische tekortkomingen van het Europese systeem. De zuiver financiële aandacht voor de crisis in Europa is echter eenzijdig. Op lange termijn zijn de belangrijkste gevolgen van deze crisis niet zozeer economisch als wel politiek en cultureel. Binnen een verbluffend korte periode heeft de Oost-West verdeling, die al heel lang de ordening van Europa heeft bepaald, plaats gemaakt voor een plotsklaps onoverbrugbaar geworden kloof tussen ‘Noord-’ en ‘Zuid-Europa’.

Dit is opmerkelijk omdat de breuk tussen West- en Oost-Europa een vanzelfsprekend gegeven leek. De Oost-West verdeling kan gedateerd worden tot de oude Grieken die het Westen (dat wil zeggen zijzelf) associeerden met vrijheid en beschaving en het Oosten met onvrijheid en barbarij. De Amerikaanse historicus Larry Wolff heeft in zijn Inventing Eastern Europe beschreven hoe tijdens de Verlichting het idee van het semi-verlichte ‘Oost-Europa’ werd uitgevonden als contrast met de verlichte beschaving van West-Europese landen als Frankrijk, Engeland en de Lage Landen.

Het ijzeren gordijn maakte in de Koude Oorlogsretoriek de ondoordringbare scheiding tussen het vrije, welvarende en democratische Westen en het onvrije, dictatoriale en grauwe Oosten definitief. De revoluties van ‘1989’ deden – vooral in Oost-Europa – de droom herleven van een hereniging tussen Oost en West, maar al snel volgde de desillusie. Oost-Europeanen bleven ondanks hun toetreden tot de Europese Unie ‘anders’ in de ogen van Westerlingen: de mentale grenzen tussen Oost en West werden niet met de Berlijnse muur geslecht. Pogingen van Tsjechen, Polen en Hongaren om het begrip ‘Midden-Europa’ te introduceren om zich te onderscheiden van het door Rusland gedomineerde Oosten, bleken beperkt succesvol. Zelfs de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, een belangrijke pilaar van de West-Europese identiteit, verschilde in de voormalige Oostbloklanden van die van hun broederlanden in het Westen.

Het vervagen van deze oude Oost-West tweedeling is vooral het gevolg van van een nieuwe tweedeling: Noord en Zuid. Uiteraard kent deze ook een lange intellectuele geschiedenis die minstens teruggaat tot Tacitus’ beeld van het beschaafde maar corrupte Romeinse rijk in het aangename Zuiden versus de barbaarse maar viriele Germaanse stammen in het koude Noorden. Toch speelde deze ordening in de afgelopen decennia geen belangrijke rol in de Europese publieke mentaliteit. Integendeel, (Noord-) Italië ontpopte zich na de Tweede Wereldoorlog als een van de belangrijkste motoren van de Europese economie. Spanje, Portugal en Griekenland maakten in de jaren tachtig een (schijnbaar) succesvolle transitie door van dictatuur naar volwaardig lid van de Europese democratische gemeenschap. Welvaartsverschillen tussen de oorspronkelijke EG-landen en de nieuwe mediterrane toetreders namen steeds meer af. Hoewel er in de Brusselse wandelgangen wel grappen werden gemaakt over de belastingmoraal van de ‘Club Med’-landen, leken deze problemen zich door de Europese eenwording vanzelf op te lossen door de uniformering van de Europese regelgeving. Landen als Spanje, Italië en Cyprus leken aan het begin van de eenentwintigste eeuw een ideale combinatie van Noord-Europese welvaart, goed voetbal en zuidelijk klimaat en - levenshouding te zijn geworden. Niet voor niets is Spanje een van de populairste bestemmingen van het Erasmus studentenuitwisselingsprogramma.

Sinds het uitbreken van de eurocrisis werden de geestelijke cultuurverschillen tussen Noord en Zuid in een hele korte periode bittere tegenstellingen. Vooral in Griekenland en Cyprus maar ook in de overige mediterrane landen gelden Noord-Europeanen, Duitsers voorop, als imperialisten die door hun draconische hervormingseisen de zuidelijke economieën kapot bezuinigen. Smakeloze vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog worden niet geschuwd. Voor de media van de voormalige ‘westerse’ landen die nu plotsklaps ‘noordelijke’ landen zijn geworden, staat de ‘zuiderling’ nu voor de luie en belasting ontduikende olijfeter die de noordelijke landen voor de kosten van zijn falende staten en economieën wil laten opdraaien. Sterk verschillende landen als Spanje en Griekenland worden nu door de noordelijke media onder een pejoratieve noemer geschaard: het corrupte Zuiden. Het onvermogen van het Zuiden om zich aan begrotingsregels te houden, bedreigt in de ogen van het Noorden het Europese project als geheel en de euro in het bijzonder.

Interessant voor het Nederlands perspectief is het veranderende beeld van Duitsland als gevolg van deze nieuwe mentale Noord-Zuid as in Europa. Waar Nederlanders in de jaren tachtig en negentig hun verblekende identiteit versterkten door zich onder verwijzing naar ’40-’45 af te zetten tegen het weinig hippe buurland, blijkt Duitsland anno 2013 het anker te midden van een zee van wanbetalende en belastingontduikende zuiderlingen die zich door middel van een gemeenschappelijke munt aan ons vastgeklonken hebben. Amsterdam kijkt nu naar Berlijn voor de nieuwste trends, in plaats van andersom. Wie had tien jaar geleden kunnen denken dat Nederland samen met Duitsland en voorheen exotische landen als Finland en het relatief economisch goed presterende voormalige Oostblokland Polen ineens tot het ‘Noorden’ zou behoren? De positie van het oude kernland Frankrijk blijft in deze nieuwe constellatie onduidelijk: de in financiële problemen verkerende leider van de knoflooklanden, onmisbare schakel tussen het Noorden en het Zuiden of het niet geheel serieus genomen lid van de club Noordelijke naties?

Wie, kortom, de Europese media intensief volgde, zag op tv en op internet een nieuwe en steeds scherpere kloof ontstaan tussen Noord en Zuid en een andere deling, tussen Oost en West, vervagen. Dit gegeven maakt mijns inziens duidelijk dat de ‘eurocrisis’ ook een politieke en een culturele dimensie heeft. Ik zou dan ook de NOS en andere media willen oproepen om niet altijd weer dezelfde economen (die overigens met al hun ‘harde’ wiskundige wijsheid deze crisis niet voorspelden) als duiders op het scherm te zetten, maar ook eens een cultureel expert uit te nodigen.

Deze crisis maakt duidelijk dat ‘Europa’ geen vaststaand gegeven is, maar onder onze ogen steeds van vorm verandert, soms in een verbazend korte periode. Zo zal dit besef van de huidige Noord-Zuid verdeling ook niet eeuwig zijn. Wellicht vormen, om maar een wilde gedachte te noemen, de mediterrane landen over pakweg dertig jaar het zwaartepunt van de Euraziatische economie, dankzij de gratis zonne-energie en de nabijheid van het jonge Afrika, het nieuwe globale economische zwaargewicht dat de rol van motor van de wereldeconomie van het vergrijzende China inmiddels heeft overgenomen.