Zo naïef ben ik niet meer

Kelly McLain is sinds enkele maanden weer terug in New York. Haar moeder kon de crisis niet meer aan. foto chantal heijnen

Kelly McLain had zo veel. Een fatsoenlijke opleiding, ze studeerde zowel bedrijfskunde als accountancy. Een rits fantastische woonplaatsen, van Londen tot Florida, van Zürich tot New York.

Een carrière met standing, ze begon bij KPMG, ging toen naar Lehman Brothers, Deutsche Bank en JP Morgan.

En haar persoonlijke leven sluit ook al aan op het work hard, play hard-leven van de bankenwereld: ze is 42, heeft geen kinderen en haar vriend woont in een andere tijdzone. Ze kleedt zich zoals het hoort: gouden armbanden, ketting en horloge, diamanten oorbellen en de standaard ‘little black dress’.

Als íémand dus bij Wall Street past, is het de Amerikaanse Kelly McLain. Maar terwijl de financiële sector aan het herstellen is, wordt zij al vijf jaar achtervolgd door ellende. Na de val van de bank vertrok McLain uit Groot-Brittannië – waar ze voor Lehman woonde. Ze moest op zes uur vliegen van haar vriend gaan wonen, de carrière waar ze zoveel voor had opgegeven kwam tot stilstand. „Ik dacht altijd dat er iemand op me paste. Dat ik bij een grote blije Lehman-familie werkte.” Ze vertelt haar verhaal ’s avonds laat, in een sakebar en ze laat de rode wijn nog eens ronddraaien in het glas. „Zo naïef ben ik niet meer.”

Ze besloot terug te gaan naar New York – „het ging emotioneel niet goed met mijn moeder”. Ze was ontslagen en het appartement dat ze kocht bleek te duur. „Mijn moeder en ik hadden het nergens anders meer over. Geld, geld, geld.”

Haar vader heeft het inmiddels ook zwaar. Hij raakte zijn pensioen kwijt want de aandelen waarin het zat waren niks meer waard na de crash van koersen. Hij probeert werk te krijgen als bouwvakker maar, zo klaagt hij tegen zijn dochter, „ik ben zeventig en ze vinden me oud”.

McLain wist niet meer waar ze terechtkan. Niet bij haar gescheiden ouders, niet bij het bedrijf waar ze al die jaren zoveel aan gaf, dat bestond niet meer.. Ze besloot terug te gaan naar Londen, naar haar vriend. Dat was begin vorig jaar. Maar terwijl in de VS het aantal banen wel begint toe te nemen, valt de Europese arbeidsmarkt haar tegen. Juist hetgene waaruit ze haar eigenwaarde had gehaald, hard werken, kon niet. „Ik verveelde me. Ik verveelde me zo.” Ze ging trainen voor een Ironman, de zwaarste vorm van triatlon die er bestaat. Ze volgde wat online cursussen. Ze kookte. „En ik maakte ontelbaar veel kruiswoordpuzzels.”

Het bleek onvermijdelijk: opnieuw moest ze het land uit. Dan maar weer terug naar New York, waar Wall Street weer mensen aanneemt.

Ironisch genoeg heeft ze dit voorjaar werk gevonden bij de overblijfselen van Lehman Brothers, het bedrijf dat bijdroeg aan haar jaren van malaise. Ze werkt mee aan de afwikkeling van alle (vastgoed)bezittingen die overbleven uit Lehman, alle contracten die afgehandeld moeten worden. Het gaat nog jaren duren, en er werken nog vijfhonderd mensen.

Maar wat McLain het lastigst vindt: vanuit de ietwat armoedige verdieping die het Lehman-van-nu huurt kijkt ze zo tegen de stoere toren van het Lehman-van-toen aan. Beide kantoren staan in dezelfde straat.

De liefde die ze voor haar werkgever voelde is totaal weg. „Het is gewoon een bedrijf. Daar werk ik dan. En dat is het.” Ze kijkt nog eens in haar glas wijn. Zó lang leek niets belangrijker dan Wall Street. Maar het werd allemaal zo weinig waard, verzucht ze. „Al dat werk, voor niets. Waar is het goed voor?” Want, hoe liep het af met haar moeder? Toen Kelly nog bij haar woonde hadden ze wéér een stevig gesprek over geld dat pas eindigde toen Kelly op de fiets stapte voor een stevige rit. In die uren pleegde haar moeder zelfmoord. „Ze kon het niet meer.”

Kelly McLain had zo veel. Maar ze heeft steeds minder.

Freek Staps