Vrienden tot de deadline ons scheidt

Vier jaar lang liep Pieter van Os rond op het Binnenhof en maakte de verstrengeling tussen politici en media mee. Kunnen journalisten politici maken of breken, of overschatten we de macht van de media?

PvdA-fractievoorzitter Job Cohen op 2 augustus 2010 na zijn gesprek met informateur Ruud Lubbers. Foto Roel Rozenburg

Het is lang geleden dat de parlementaire pers zich beperkte tot een verslag van de woorden die de politici in de Tweede Kamer uitspraken. Tegenwoordig richt de politieke verslaggeving zich juist op alles wat zich rond de Kamer afspeelt, in de wandelgangen, in Nieuwspoort of aan de zogenaamde ‘patatbalie’, de gang waar journalisten en politici elkaar spreken en die ook vaak op tv te zien is als een bewindspersoon belaagd wordt door cameraploegen. Tijdens debatten of het wekelijks vragenuurtje zijn er soms meer parlementariërs buiten dan in de zaal, omdat ze weten dat daar meer te halen valt. In die wandelgangen wordt nieuws ingestoken, informatie gelekt, een kwestie gespind, een tegenstander gediskwalificeerd, kortom écht nieuws gemaakt en politiek bedreven.

Pieter van Os, die voor deze krant vanaf 2008 vier jaar lang heeft rondgelopen op het Binnenhof, neemt de lezer in Wij begrijpen elkaar uitstekend mee op ontdekkingsreis door de wandelgangen van het politieke nieuwsbedrijf. Als nieuwkomer is hij aanvankelijk verbaasd over hoe het spel tussen politici en journalisten wordt gespeeld, maar al snel maakt hij er zelf deel van uit en conformeert zich aan de mores, al voelt hij zich daar af en toe ongemakkelijk bij.

Aan de hand van talloze voorbeelden, anekdotes en zijn eigen ervaringen geeft hij een kleurrijk en amusant beeld van het Binnenhof als een soort schoolplein met een duidelijke pikorde, onder zowel politici als journalisten. Uitvoerig laat hij zien hoe de verstrengeling tussen journalisten en politici er in de praktijk uit ziet: ‘vrienden tot de deadline ons scheidt’.

Omdat politici willen scoren in de media, gebruiken ze hun informatie als ruilmiddel om handel te drijven met journalisten, die omgekeerd misschien wel de voorpagina of de opening van het Journaal in de aanbieding hebben. Zoals de ondertitel van het boek al aangeeft ziet Van Os deze verstrengeling als een ‘wurggreep’, waarbij beide partners zich soms in de vreemdste bochten moeten wringen om de ander zo tegemoet te komen dat er iets te winnen valt.

Die term ‘wurggreep’ doet vermoeden dat Van Os zich gaat scharen onder de critici die al jaren die innige verstrengeling op het Binnenhof aan de kaak stellen. Maar dat blijkt niet het geval: tussen alle smeuïge achter-de-schermen-verhalen haalt hij voortdurend uit naar de critici die volgens hem een verkeerd beeld hebben van hoe het werkelijk toegaat in de praktijk.

Machteloze zielepoten

Van het lezen van al die rapporten en onderzoeken over ‘medialogica’, ‘mediacratie’, en ‘agendamacht’ raakte hij zelfs wat lacherig, zo schrijft hij, maar vooral argwanend, want in zijn ogen hadden al die journalisten niet zo veel macht en waren die politici geen machteloze zielenpoten. „Ze hebben immers wel degelijk de macht de agenda van journalisten te bepalen.” Het valt allemaal wel mee, is de strekking, de balans valt soms naar de ene en dan weer naar de andere kant uit. Politici die veel in de media waren zoals Henk Bleker of Tofik Dibi hebben het toch niet gered, nou dan?

Het zwakke punt van dit boek is dat Van Os voortdurend allerlei theorieën over media en politiek op een journalistieke manier even snel clichématig neerzet, om ze vervolgens te bestrijden met anekdotes, voorbeelden en spaarzame verwijzingen naar onderzoek dat wel in zijn straatje past (helaas heeft het boek geen bibliografie).

Opvallend is dat dit vrijwel allemaal wetenschappelijke publicaties zijn uit de jaren negentig (zo ongeveer uit de periode dat hij politicologie studeerde). Invloedrijke boeken zoals What the Media are Doing to Our Politics van Financial Times-journalist John Lloyd uit 2004 komen in het verhaal niet voor. De internationale discussie over medialogica en mediatisering van de politiek lijkt volledig aan Van Os voorbij te zijn gegaan, waardoor hij blijft steken in het bekritiseren van het clichébeeld van de almachtige media.

Maar dat is niet waar die discussie over gaat: kernpunt van medialogica en mediatisering van de politiek is niet dat de media de macht overnemen, maar de macht de media. Dat wil zeggen: politici gaan politiek bedrijven volgens de logica (de spelregels) van de media en daardoor verandert de aard van de politieke menings- en besluitvorming. Van Os citeert een Amerikaanse politicoloog (1998) die stelt ‘dat het verschil tussen beleid maken en nieuws maken vervaagt’. Zijn de politici alleen nog maar bezig met wat scoort in de media of bij de kiezers, of blijven ze oog houden voor de ingewikkelde niet-mediagenieke dossiers? Van Os heeft helaas niet door dat de wurggreep die hij beschrijft onderdeel is van dit proces van mediatisering van de politiek. En dat veel voorbeelden in zijn boek juist laten zien hoe dat werkt. Het is dan ook jammer dat de meeste voorbeelden niet gaan over die complexe dossiers, maar over allerlei relatief kleine incidenten (Bleker), controverses (ritueel slachten) en affaires, zoals die rond Mariko Peters. Nergens een serieuze poging om te verkennen wat de gevolgen van ‘de wurggreep’ zijn voor de politieke besluitvorming in Nederland én de berichtgeving in de media.

Dat komt het duidelijkst naar voren in het hoofdstuk over het vaak bekritiseerde verschijnsel van de hype die volgens hem juist een ‘effectieve manier van waarheidsvinding oplevert’. De hype zou ‘zuiverend’ werken omdat de onderlinge concurrentie er voor zorgt dat fouten of overdrijvingen worden ontdekt. Als bewijs dienen weer een paar voorbeelden om dit correctiemechanisme te staven, maar gaat hij eraan voorbij dat het kuddegedrag zorgt voor een niet te stuiten dynamiek die leidt tot een eenzijdige beeldvorming met alle gevolgen van dien voor de hoofdrolspelers. Als de schade een feit is, komt de waarheid vanzelf boven drijven. Maar het is de bedoeling van de journalistiek om eerst te checken en dan te publiceren in plaats van andersom omdat anderen dat ook doen. Ook voor de verklaring van het succes van Wilders, de politicus die als geen ander gebruik heeft gemaakt van de logica van de media om op elk stuk rood vlees te duiken dat in de politieke arena wordt geworpen, heeft Van Os een oplossing. De media hebben niet veel van doen gehad met de opkomst van Wilders, omdat de kiezers op Wilders stemmen vanwege zijn standpunten, niet vanwege de man. Dat kan, maar dan nog is de vraag waarom de media jarenlang iedere uitspraak, iedere rel of provocatie tot groot nieuws hebben verheven? Van Os komt niet verder dan een verwijzing naar ‘dit is wat de mensen willen lezen’.

In de slotalinea’s pleit hij voor meer zelfreflectie in de journalistiek, het liefst met een casus erbij. „Want zomaar een beetje theoretiseren, daarvoor zijn de producten van het vak te concreet.” Dat geeft goed aan op welk punt dit boek tekort schiet: gebrek aan verdieping.

Peter Vasterman is mediasocioloog aan de Universiteit van Amsterdam.