Verbieden en gedogen in circus Cannabis

Cannabis; een vaste plek in mijn assortiment genotmiddelen heeft het nooit verworven. Terwijl een indringende wietlucht toch vrijwel het eerste was dat ik rook toen ik eind jaren zeventig de deur van het studentenleven voor het eerst opendeed. Cannabis, pot, shit, wiet – je kon er makkelijk aan komen, ook op de Amerikaanse campus waar ik belandde.

En duur was het ook niet. Roken deed je bij voorkeur met een waterpijp (de ‘bong’), in groepsverband, met het raam open. En kweken liefst in je eigen vensterbank. Goed voor avonden slappe lach, gelukzalig wegdromen en steengoeie muziek die bij iedere ademloze haal nog veel beter werd.

De dealer was een rossige jongen met sproeten die ’s ochtends bij de bushalte even zaken met je kwam doen. Als de campuspatrouille langs het dormitory reed, rukte menige kamerbewoner snel de eigen kweek uit de vensterbank. En zette die daarna gauw terug. Oei, we deden iets stouts!

Wiet was dus alleen quasi verboden. Terug in Nederland bleek wiet iets voor langharigen en alternatief volk. Echte studenten dronken alcohol. En vrij veel trouwens. Meer dan ik in de VS ooit zag.

Nu deze krant in het centrum van Amsterdam is gevestigd, ruik ik weer wiet, tweemaal daags. ’s Ochtends komen voor het Centraal Station jonge buitenlanders op weg naar Schiphol met rolkoffer of rugzak en een (laatste?) joint tussen de vingers je tegemoet. En ’s avonds wandel ik door de Warmoesstraat of over het Damrak naar de trein tussen het blowende, buitenlandse publiek. Amsterdam, Sin City van Europa: hoeren en hasj. De wiet- en wipboulevard is het klapstuk van de Amsterdam Experience.

Over naar Maastricht, waar vorige week de politierechter een ferme uitspraak deed. Mondeling, er was alleen een persbericht. Maar dat werd ook vast en zeker niet zomaar gemaakt. Het Openbaar Ministerie had zes coffeeshophouders en acht man personeel wegens verboden verkoop aan ‘niet-ingezetenen’ gedagvaard. En daar haalde de rechter een stevige streep door, wegens de facto misbruik van strafrecht.

Je zou het in Amsterdam niet zeggen, maar wiet mag van dit kabinet alleen lokaal worden verkocht aan Nederlanders uit de eigen gemeente, ingezetenen. Dat heet het ‘I-criterium’ en het zou overlast door verkoop aan buitenlanders moeten beperken.

Wat in Maastricht geldt als overlast, is in Amsterdam de kern van het businessmodel. In het softdrugsbeleid kan dus alles, ongeacht artikel 1 van de Grondwet: ‘Allen die zich in Nederland bevinden worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.’ De ongelijkheid in handhaving tussen Maastricht en Amsterdam is de zoveelste anomalie in het circus van toestaan, gedogen, reguleren en de andere kant opkijken. Volgens de Opiumwet is wiet in beginsel verboden. Daarna is een boekwerk met regels bedacht wanneer, hoe en op welke manier het dan tóch mag.

Voor verkoop via coffeeshops gelden bijvoorbeeld de AHOJG-criteria: geen affichering (A), geen harddrugs (H), geen overlast (O), geen verkoop aan jeugdigen (J), geen verkoop van grote hoeveelheden per transactie (G). Daarbij komen nog strikte regels voor de omvang van de handelsvoorraad. En er komen nog regels aan om het THC-gehalte van cannabis aan banden te leggen. De wetgever besteedt bijna meer energie aan het helpen overtreden van de wet dan aan het handhaven ervan. Productie blijft intussen strikt verboden: bier verkopen en drinken mag dus, maar brouwen is een misdrijf. Volgt u het nog?

Intussen weet niemand of je ‘overlast’ in grensgemeenten echt inperkt door alleen aan ingezetenen te verkopen. De politierechter in Maastricht leek het aannemelijk dat het omgekeerde gebeurde. Het verbieden van open verkoop aan buitenlanders bevordert immers illegale verkoop. Exact de reden waarom Amsterdam zijn wietwinkels open wil houden. En er in de hoofdstad (of elders) vrijwel niemand wordt vervolgd. Louter omdat de buitenlandse cannabisrokers naar Amsterdam vooral via Schiphol reizen. En niet per auto, zoals naar Zuid-Nederland.

Feitelijk is de cannabisbranche na decennia vredige, in detail geregelde dienstverlening aan de consument, in eindeloos overleg met gemeenten, weinig te verwijten. Ze is vrijwel onderdeel geworden van het gemeentelijke handhavingsbeleid. De Maastrichtse strafrechter zag een groep winkeliers voor zich „die bereid zijn om in overleg te treden met de gemeente om de verkoop van softdrugs en hun gedoogstatus zo keurig mogelijk te regelen”. Let op het compliment.

Tegelijk is daar een Openbaar Ministerie dat bezig is om nieuw, twijfelachtig en selectief kabinetsbeleid met boetes af te dwingen. En „daar is het strafrecht niet voor”. Dat hele ingezetenencriterium zag deze rechter als onhelder: meer een stok om de hond te slaan. Daar kwam dit bij: „De politierechter heeft overwogen niet in staat te zijn om het Nederlandse coffeeshopbeleid uit te leggen.” De wetgever is aan het ‘schipperen tussen uitersten’, aldus de rechter. Een verbod op productie en handel in wiet en hasj enerzijds en een ‘zo verantwoord mogelijke’ verkoop aan de andere kant.

Zelden laat een rechter in algemene termen weten dat de legitimiteit van de strafrechtelijke vervolging van de cannabisbranche aan het wegvallen is. Zolang een Brit in Amsterdam wel wiet mag kopen en een Belg in Maastricht niet, lijkt me dat een terechte observatie. Rechtsgelijkheid, het bestaat niet voor niets.

De auteur is juridisch redacteur