‘Tennisgeleerde’ ergerde zich aan vrijblijvendheid

Nadat hij een been verloor, werd Gerard Scheurleer de eerste Nederlandse coach van het Davis-Cupteam. Zijn passie wenste hij met professionaliteit te beoefenen.

Arthur Diemer Kool, nationaal kampioen (1912) en protegé van Scheurleer. foto ANP

Op 22 juli 1920 stond in de NRC een ingezonden brief van enkele vooraanstaande tennissers. De spelers uitten hun onvrede dat de Nederlandse Lawn Tennis Bond (NLTB), toen nog niet Koninklijk, had besloten geen Nederlands team te laten uitkomen tegen de Verenigde Staten in het duel om de Davis Cup. Volgens de bond zou ons land ‘beslist verliezen’ van de tegenstander. Deze brief, opgesteld door vier leden van de Haagse tennisclub Leimonias, legde een bom onder het Nederlandse tennis: „De zekerheid van de nederlaag ontneemt het argument, dat ons team niet zo sterk als mogelijk is, alle kracht. Oefening en het genoegen sterkere tegenstanders te ontmoeten waren het Hollandse doel.”

Een van de ondertekenaars was het Haagse tennisfenomeen Gerard Scheurleer (1886-1948). Ook zijn pupil en protegé Arthur Diemer Kool, eveneens een begenadigd speler, achtte het een schandaal dat van hogerhand werd besloten Nederland buiten te sluiten van dit belangrijkste landentoernooi in de tennissport.

Dit Davis Cup-incident leidde tot grote verbittering bij Scheurleer. Het werd een van de grote drama’s in zijn tennisleven. Deze telg van het rijke Haagse bankiersgeslacht Scheurleer & Zoonen hoefde zich nauwelijks te bekommeren om geldwinning. Al jong raakte hij gefascineerd door het lawntennis, het tennisspel op grasbanen dat rond de eeuwwisseling een betrekkelijk nieuwe sport was in ons land. Scheurleer hield van de ‘zang van de bal op de snaren’ en als hij tenniste had hij het gevoel een ‘muziekstuk te componeren’. In tal van artikelen voor het blad Lawn Tennis en Golf en later in boekvorm legde hij getuigenis af van zijn passie, die hij met professionaliteit wenste te beoefenen.

Daarom zinde het hem niet dat de meeste tennisspelers de sport vooral zagen als tijdverdrijf, een elitair gezelligheidsspel. Scheurleer eiste volledige inzet en vond daarvoor bij de leden van Leimonias gehoor. Als achttienjarige bereikte hij de finale van de Internationale Kampioenschappen van Nederland. In 1908, op 22-jarige leeftijd, werd hij Nederlands kampioen.

Scheurleer was, behalve tennisser, verwoed motorrijder. Hij doorkruiste Nederland van wedstijd naar wedstrijd op een Royal Enfield, dezelfde motor waarop zijn grote held en Wimbledon-kampioen Anthony Wilding reed. Maar Eerste Paasdag 7 mei 1922 bracht een fataal ongeluk: een auto raakte zijn voorwiel. De zware motor kwam terecht op zijn been. Het was mis, Scheurleer wist het meteen. Een gebroken knieschijf, gevolgd door complicaties, leidde tot amputatie van zijn rechterbeen. Vanaf dit ogenblik werd Scheurleer een tennisser met één been, een nationale kampioen die niet naar de Davis Cup mocht en die nooit meer zou kunnen spelen. Ooit droomde hij van spel en overwinning op Wimbledon, maar vergeefs. Hij werd gekweld door fantoompijnen vanwege het afgezaagde onderbeen.

Als ‘non-playing captain’ en leermeester kon hij verbonden blijven aan het tennis. Hij was de eerste Nederlandse coach voor de Davis Cup en bracht de teams geruchtmakende finales en spectaculaire overwinningen. Bij sommige tennissers zette Scheurleer ook kwaad bloed. Hij was eigengereid en streng, maakte opmerkingen en noteerde alle fouten die iemand maakte. Hij eiste zelfs van de toen zeer jonge Diemer Kool, voor wie hij meer dan alleen sportieve gevoelens koesterde, dat deze alleen met hem zou spelen, en met niemand anders. Diemer Kool werd in 1912 nationaal kampioen en twee jaar later met Scheurleer kampioen dubbelspel.

Scheurleer werd de zelfbenoemde ‘eerste hoogleraar tenniswetenschap’. Zijn leerboeken zijn nog altijd leerzaam en bevatten nuttige aanwijzingen voor spelers van nu. In zijn visie is een tennisslag geen geïsoleerde beweging, maar komt de juiste slag voort uit het samenspel van de drie essentiële factoren: het hoofd, het hart en de hand, zoals zijn laatste publicatie Hoofd Hart Hand aantoont. De speler bereidt de slag in zijn hoofd voor. Zijn hart geeft hem gevoel voor het spel. En zijn hand, waarmee het racket een harmonisch geheel vormt, treft uiteindelijk de bal op de winnende of in elk geval juiste wijze. Een van zijn stellingen luidt: „Sla een bal zonder te mikken, alles moet een doel hebben - aan die plaats moet je denken, niet ernaar kijken, want dan zal de bal er niet komen.” Met deze visie had de jonge Scheurleer, in 1920, met overtuiging de Davis Cup kunnen winnen. Van teleurgestelde, gepasseerde speler werd hij de eerste Nederlandse tennisgeleerde.

Bronnen: Theo Bollerman en Ruud Paauw: Davis Cup. Vier enkels en één dubbel. Uitg. Chevalier International ; Theo Bollerman: Scheurleer: Voltooide volharding. Uitg. U2pi, Voorburg.