Staat de trampoline nog op zijn plaats?

Ze wil nog graag naar de Spelen van Rio. Trampolinespringster Rea Lenders oefent niet in de tuin zoals de aanstormende concurrentie.

Even kun je denken dat Rea Lenders voor de foto op een zwart zeil is gaan liggen: de armen en de benen bij elkaar, adem inhouden, flits en en staat u maar weer op mevrouw. Zo beheerst ziet Nederlands beste trampolinespringster eruit als ze vliegt.

Maar de ogen van Lenders (32) zijn naar beneden gericht. Staat de trampoline nog op zijn plaats? Hij zal toch niet door de een of andere grapjes weggerold zijn? Want what goes up, must come down. En elke keer als je een springwedstrijd ziet, ook dit weekend bij de World Cup in het Spaanse Valladolid, schrik je van de herrie die de veren maken als iemand er van acht meter hoogte op neerkomt en weer de lucht in wordt geschoten: alsof een ober in een stil restaurant twee volle dienbladen met glazen op de tegels laat kletteren.

Ook in een Olympisch leven valt weleens iets aan scherven: zo werd Lenders in Athene slechts achtste omdat ze een aanwijzing van haar nieuwe coach verkeerd verstond – haar eigenlijke trainer zat vast op verdenking van handel in gestolen turntoestellen. In Londen werd ze dertiende. Nu wil ze de Spelen van 2016 halen. De concurrentie groeit: een hele generatie Nederlandse kinderen heeft een eigen trampoline in de achtertuin. Of zij de wilskracht van Lenders hebben is de vraag. Die zit niet meer in de Olympische topsportregelingen (hoe belangrijk is trampolinespringen?), maar geeft niet op. Op internet prijst ze tuintrampolines aan. „De palen dienen ten minste 38 millimeter dik te zijn, dit ter voorkoming van buiging.”

Tekst: Arjen Fortuin Foto: Bastiaan Heus