‘Rouw is als een steen op je hart’

De zoon van neuroloog Jan van Gijn overleed vorig jaar tijdens het mountainbiken in de Alpen. „Bij het ontwaken jaagt ogenblikkelijk dat fnuikende besef door je kop: ‘Maarten is er niet meer’.”

„Wat we over hebben zijn onze herinneringen aan hem, aan die 37 jaar dat hij geleefd heeft. Daar houden we ons aan vast; dát hij 37 jaar geleefd heeft. Niet 7, of 17, maar 37 jaar.” Foto’s Merlijn Doomernik

‘Dus om twaalf uur is het zover?” Jan van Gijn kijkt nog even voor de zekerheid op zijn horloge. Om twaalf uur precies zal zijn vrouw Carien samen met anderen de klokken van de Utrechtse Dom luiden. Carien heeft haar speciale donkerrode klokkenluidersshirt al aan. Ook al ziet niemand haar daar straks, op de eerste trans van de toren; enig cachet hoort bij de functie. Veertien klokken gaan ze met zijn vijftienen in beweging zetten, waaronder de honderden kilo’s wegende Salvator.

„Ze gaat er helemaal in op”, zegt Van Gijn, wanneer Carien vertrokken is. Daar is hij „méér dan blij” om. Toen hun zoon Maarten vorig jaar juli verongelukte tijdens het mountainbiken in Zwitserland, was Van Gijn al niet meer actief als neuroloog. Hij was ook net opgehouden met zijn supervisorschap voor jonge neurologen, dat hij tussen zijn 65ste en 70ste nog had bekleed in het UMC Utrecht. Gelukkig had hij zich wel net ingeschreven voor de studie Latijn. „Ik had iets om me in te verstoppen. Maar Carien is in oktober opgehouden met haar werk als huisarts. Die had niet meteen een volle agenda. Daardoor heeft ze het nog veel moeilijker gehad dan ik.”

Van Gijn is niet meer actief als neuroloog, toch werd hij begin juli wel aangesteld om met intensivist Michael Kuiper leiding te geven aan het medisch team dat prins Friso begeleidde, nadat hij vanuit Londen naar Huis ten Bosch was gebracht. Voor Van Gijn is dat nadrukkelijk geen onderwerp van gesprek. „Dokters horen niet met anderen over hun patiënten te praten.” Dat hij zelf als vader van een overleden zoon ervaringsdeskundig is „doet ook totaal niet ter zake”.

Hij kijkt op zijn horloge. „Nu moeten we gaan opletten, het is bijna twaalf uur.” Van Gijn houdt zijn hoofd een beetje schuin. „Hoor jij al wat?” En dan begint het, eerst nog ijl en bijna onhoorbaar, verwaaiend in de wind. Totdat de bronzen stemmen zich steeds luider gaan verheffen. „Hoor je? Goed he. Dat is de Salvator. Ach jongen, die gaat door merg en been. Ze luiden ’m maar twee keer per jaar, met Pasen en met Kerst. En met speciale gelegenheden, zoals nu vanwege de herdenking van de Vrede van Utrecht.” Toch bevalt de sterkte van het geluid hem maar matig. We gaan wel even naar het balkon aan de voorkant van zijn huis, dichterbij de Dom. We lopen de trappen op, langs zijn werkkamer vol zeldzame medische literatuur – „voor mijn tweede druk van Harvey kun je een leuke cabriolet kopen”. Aan de muren vele tientallen foto’s van hun kinderen en kleinkinderen, vooral van Maarten. Overal op de trappen kijkt hij ons na, in alle stadia van zijn leven. „Ja, hier is het beter”, zegt Van Gijn, eenmaal boven bij het balkon, dat uitkijkt op de Schouwburg. En inderdaad, nu horen we iets van een melodie, geschraagd door het diepe brons van de Salvator. Hij luistert gelukzalig, de ogen dicht. Of hij hoort welke klok door Carien geluid wordt? Hij schudt het hoofd, nog steeds met gesloten ogen. Nee, dat weet hij niet. „Maar ik zié haar staan. Ik zie het. Oh, ze geniet hier zo van.”

Diavoorstelling

Ze ontmoetten elkaar eind jaren zestig. Hij spijkerde studenten bij in neurofysiologie als onofficiële docent (repetitor), zij was eerstejaars student geneeskunde. En het was meteen raak. „Ik zag haar en wist: dat is mijn vrouw.” In 1974 werd Maarten geboren, drie jaar later Willem en vier jaar nadien Laura. Het was geweldig om vader te worden, vond Van Gijn. Al was hij de jaren dat ze klein waren heel druk met zijn werk. „Mijn kinderen zagen mijn ambitie en hadden daar hun eigen gedachten over. Toch heb ik heel veel Lego-auto’s met ze gebouwd. En met ze gefietst. Toen Maarten zeven was heb ik samen met hem de Tour de Belgique gedaan; vanuit Zeeland naar België. Ik zie dat ventje nog op zijn fietsje, door dat snikhete Zeeland. ‘Papa, heb jij het ook zo warm?’ ‘Ja jongen, maar gelukkig zijn we bijna in Koudekerke’.”

Al die beelden komen de laatste maanden allemaal terug. Sinds vorig jaar draait er in zijn hoofd continu een diavoorstelling, met beelden uit het leven van zijn zoon. „Maarten was een ongecompliceerd, open jongetje. Een dromer ook. Als ze hem als kind vroegen wat-ie wilde worden antwoordde hij: ‘zeeheld’.” Maar hij werd uiteindelijk persvoorlichter bij veilinghuis Christie’s. Mooi werk, waarin hij zijn gevoel voor taal ten volle kon benutten. „Bij een veiling van oude wijn kon hij voor de televisie een lyrische verhandeling over de goddelijke smaak van wijn houden. Terwijl hij echt veel liever een biertje dronk.” En toen Van Gijn nog volop werkte aan zijn boek Lijf en Leed was Maarten een messcherpe meelezer. „Hij heeft mijn boek hoofdstuk voor hoofdstuk vakkundig gefileerd. Met rake opmerkingen in de kantlijn. Als ik iets te veel mijn kennis etaleerde schreef hij: ‘ja, ja, nu weten we het wel, ijdeltuit’. Als ik te veel wilde uitleggen stond er : ‘godallemachtig, alwéér een laag erbij’.”

Die vierde juli vorig jaar waren Carien en hij net op de fiets aangekomen in Berlijn. Apetrots dat het ze gelukt was. Nog op de foto gegaan voor de Brandenburger Tor. Want ja, je komt niet elke dag vanuit Utrecht op de fiets aan in Berlijn. Rond half vier ’s middags maakten ze een rondvaart over de Spree. „Dat was het tijdstip waarop Maarten viel.” ’s Avonds bezochten ze een benefietconcert voor het herstel van de Deutsche Oper. Hun telefoon stond natuurlijk uit. Want zoiets doé je bij een concert. Toen ze om één uur ’s nachts op hun hotelkamer waren, ging de telefoon aan en belde hun zoon Willem. Van Gijn huivert zichtbaar bij de herinnering. „Hij huilde. ‘Papa, waar wáren jullie toch? Maarten is gevallen. Heel erg gevallen. Hij is dood.’ Ik zei: ‘jongen, ik bel je zo terug. Ik ga eerst met mama praten’. We wisten dat-ie in de Alpen aan het fietsen was. De dag daarvoor hadden we ’m nog gebeld. ‘Papa, ik sta zo hoog; ik kijk helemaal op de Alpen neer’. Dat was de laatste keer dat ik ’m sprak. Hij was daar echt gelukkig. Diep onder de indruk van die bergen.”

Hoe hebt u het aan uw vrouw verteld?

„Dat was iets onmogelijks om te doen. Iets onmogelijks. Maar ik vond dat ik het zelf moest doen. Ik kon die klus niet door Willem laten opknappen. Ik weet niet eens meer de letterlijke woorden. Het was zoiets als: ‘ik moet je nu het ergste vertellen wat ik je maar kan vertellen’.” Hoofdschuddend: „Zoveel verdriet... Daarna met Willem gebeld en met die vrienden die erbij waren. Die jongens voelden zich hartstikke schuldig. Terwijl ze er niks aan konden doen. Hij is over een rotspaadje gefietst, waar de meeste mensen afstapten. Aan de ene kant was de rotswand, aan de andere kant de afgrond. Ik ben er later vlakbij geweest, maar ik heb er niet willen kijken. Waarschijnlijk heeft er een steentje gelegen en is hij daarna gebotst met de rots. Hij is in die afgrond gekieperd, en meer dan honderd meter naar beneden gevallen.

„We zijn er direct heen gegaan. Carien zei: ‘ik wil hem zien, ik wil ’m aanraken’. Goddank kon dat; zijn gezicht was nog gaaf. Alleen vanaf de schouders kon hij niet meer getoond worden. Maar dat zijn hoofd heel was, dat is voor ons heel belangrijk geweest.

„De dood van Maarten is een waterscheiding. Ons leven bestaat uit ‘voor’ en ‘na’. Ik denk vaak: misschien ging het leven daarvóór wel te goed.”

U hebt zes jaar geleden wel darmkanker gehad.

„Dat is waar. Daar was ik toen behoorlijk filosofisch onder. Ik dacht: ‘alles heeft me in het leven meegezeten. Ik heb een fantastische vrouw, geweldige kinderen en fijn werk. Nu het even tegenzit, ga ik niet mekkeren. We zien wel.’ Verder ging het zo goed; met ons, met de kinderen en de kleinkinderen… Ik dacht geregeld: ‘kan dit wel zo blijven?’. Maar dat er zo’n klap zou komen…”

Wat is er in essentie veranderd?

„Dat je nooit meer blij wakker wordt. Dat er bij het ontwaken altijd weer ogenblikkelijk dat fnuikende besef door je kop jaagt: ‘Maarten is er niet meer’. Alles is grijzer geworden. Fletser. Je geniet niet meer echt van het leven. Langzaamaan beginnen er wat kleuren terug te komen. Maar het wordt nooit meer als vroeger. Ik ben nooit meer echt blij. Rouw is als een steen op je hart, die elk moment van de dag op je drukt. Soms voel je alleen een gemene steek, maar vaak word je er bijna door verpletterd. Dat gemis is zo ondraaglijk. Wat we over hebben zijn onze herinneringen aan hem, aan die 37 jaar dat hij geleefd heeft. Daar houden we ons aan vast; dát hij 37 jaar geleefd heeft. Niet 7, of 17, maar 37 jaar. Maarten was een man, hij heeft gelééfd. In duizenden beelden komt dat leven nu bij je op.”

Kon u elkaar steunen in het verdriet?

„We hebben die verschrikkelijke nacht in Berlijn tegen elkaar gezegd: ‘we laten ons hier niet door uit elkaar drijven’. Iedereen weet dat dat een levensgroot risico is. Als je een kind verliest, ga je op verschillende manieren rouwen. Dat kun je elkaar gaan verwijten. Carien heeft momenten waarop ze echt niet meer verder kan. Dan is het verdriet zo ontzaglijk groot. Dat probeer ik op mijn eigen onbeholpen manier op te vangen. Dan praten we over Maarten en proberen we weer samen terug over de rand te klauteren. Tot nu toe is dat altijd gelukt. Zij maakt zich soms zorgen dat ik het te veel wegdruk. Mijn verdriet verloopt globaler. Bij mij ligt de gevoelstemperatuur al een jaar vrij constant op min twee graden onder nul. Zij is altijd bang dat ik op een dag instort.”

Acht u dat een serieus risico?

„Ik denk het niet. Die avond heb ik aan een stuk door gehuild. Daarna nooit meer.”

Went verdriet?

„Misschien. Hij ligt hier vlakbij begraven. We hebben de twee graven naast hem gekocht zodat wij daar later kunnen liggen. Er zijn momenten geweest dat ik dacht: ‘ik kan er net zo goed meteen naast gaan liggen’. Maar je hebt je vrouw, je andere kinderen en de kleinkinderen. Bovendien zou Maarten van ons verwacht hebben dat we doorgingen. Alleen al vanwege Emma [zijn dochter van tien]. Je leert de dofheid van je nieuwe bestaan langzaamaan accepteren. Tegelijkertijd weet je dat je niet de enige bent die zoiets moet doorstaan. Ik blijf mij vasthouden aan die 37 jaar die Maarten gehad heeft. Dat troost mij. Carien is af en toe bijna letterlijk verlamd door het besef dat hij er niet meer is. Dat hij haar nooit meer woest op kan tillen zodat ze haar ribben kneust.”

Hij zwijgt, en siddert dan opeens – kort maar heftig – kippenvel op z’n armen. „Ik vind het zo verschrikkelijk dat dit háár overkomen is. Dat zij dit heeft moeten meemaken. Dat verdient ze niet. Dat doet me echt verdriet.”

Stel nou dat Maarten zwaargewond uit dat ravijn gehaald was. Misschien wel in coma. Was dat voor u een betere optie geweest?

„Dat is zo moeilijk. Ik zou het voor hem heel naar hebben gevonden als hij nog lang ongelukkig was geweest.”

Hoe moeilijk is het dan om als dokter in een situatie te belanden die spiegelbeeldig is aan die van uzelf?

„Je kunt je in elk geval meer verplaatsen in wat families moeten doormaken. Hoe groot de breuk in hun bestaan is. Het leven is geen dag meer als daarvoor. Ik heb ooit een meisje van twaalf in een weekend onder mijn handen zien overlijden. Dat meisje had een hersenbloeding. Ze was vrij snel bewusteloos geraakt. Je zag die hersenbloeding op die scan, en je zag de hersenfunctie steeds verder afzwakken. Je kunt op dat moment niks doen, want het zit op plaatsen waar niks te doen valt. Een afschuwelijk drama. Dat is een moment waarop je als dokter tegen de tranen staat te vechten. Ik moest die ouders vervolgens ook nog om orgaandonatie vragen. Alsof het al niet erg genoeg was. Jaren later zag ik die mensen terug. Ze waren nog altijd bij elkaar, hadden hun leven weer zo goed en zo kwaad als het ging opgepakt. Dat troostte me. Het kan dus wel.”

De keukendeur gaat open, Carien is terug. Zichtbaar opgetogen. „Hebben jullie het gehoord?” „Het was prachtig”, zegt haar man. Zij heeft de Poncianus voor haar rekening genomen. „Niet al te zwaar, echt een fijne klok”, zegt ze. Dan opeens, geëmotioneerd: „Het helpt me het verdriet te overstijgen. Omhóóg willen. Om grotere lijnen te voelen en te zien. Door klokken te luiden, door naar muziek te luisteren, door in de tuin te werken. Toen het net gebeurd was kon ik niks meer. Ik kon alleen de was nog ophangen. Dat de natuur ondertussen gewoon dóórging troostte me ontzettend. Die klokken troosten ook. Ze zijn er al honderden jaren geweest. Je voelt je opgenomen in de continuïteit van de mensheid.”

Ze gaat weer naar binnen. „Carien kan dat toch veel beter verwoorden dan ik”, zegt Van Gijn, bijna plechtig. „Daar gaat het natuurlijk toch om; dat het leven dóórgaat. Sinds vorige week zijn we weer samen gaan fietsen. Fietsen is heel beladen geworden. Toch zijn we voorzichtig weer begonnen. We blijken er tot onze verbazing weer van te kunnen genieten. We fietsten vorige week naar Wijk bij Duurstede, door dat ongelofelijke rivierenlandschap. We kwamen boven aan de dijk, keken uit over het water. Dan stroomt je hart over. Zo’n overweldigend gevoel van: dit is Nederland. Tegelijk hadden we allebei dezelfde gedachte: mag dit wel? Kunnen we dit wel mooi vinden? Mogen we hier nog wel van genieten? We keken elkaar aan. En toen wisten we het allebei, op hetzelfde moment: ja, het mág weer. We fietsten samen verder over de Waaldijk. Het was prachtig. En het blééf prachtig.”