Je toekomst is weg, maar protesteren? Dat doe je niet

Werkloze jongeren hebben niet de neiging de straat op te gaan. Ze voelen zich onmachtig: niets is tegen Europa opgewassen. En ze identificeren zich niet met andere werklozen, meent Fabian Dekker.

De crisis treft iedereen, maar vooral jongeren. Zij staan in steeds grotere aantallen aan de kant. Zo rapporteerde het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in juni dat het aantal jonge werkzoekenden tot 27 jaar met vijftig procent was gestegen ten opzichte van het jaar daarvoor. Een van de redenen is dat jonge werkzoekenden minder werkervaring hebben. Ze komen daarom minder snel in aanmerking voor schaarse vacatures.

Een fundamenteler probleem zijn de flexibele contracten. In de afgelopen tien jaar zijn jongeren steeds vaker via dergelijke overeenkomsten gaan werken. Inmiddels werkt meer dan de helft van de jongeren tot 25 jaar op flexibele basis – en dat is exclusief de zelfstandigen. Juist deze flexwerkers zijn kwetsbaar in het geval van economische teruggang.

Waarom mobiliseren deze kwetsbare jongeren zich niet? Waarom nemen zij geen deel aan massale protesten?

Een negatief toekomstperspectief kan makkelijk omslaan in distantie ten aanzien van anderen en gevoelens van ressentiment. Bij massale plunderingen in Londen, enkele jaren geleden door gedesillusioneerde jongeren, speelden werkloosheid en de daarmee gepaard gaande welvaartsverschillen onmiskenbaar een rol. En de confrontatie tussen de Franse politie en relschoppers in 2005, waarbij de dood van twee jongeren in een elektriciteitscabine de directe aanleiding was, had eveneens (deels) te maken met sociaal-economische deprivatie.

Waar is het protest nu, vragen sommige onderzoekers zich af. Ondertussen verwijzen ze naar de jaren tachtig, naar het massale protest tegen kernwapens en het kraken van leegstaande panden.

Voor mijn nieuwe boek over de omgang van jongeren met werkloosheid heb ik diverse groepen jeugdwerklozen gesproken. En wat blijkt? Jongeren willen niet (altijd) hun collectieve stem verheffen. Zowel hoog- als laagopgeleide werkloze jongeren zijn niet gericht op participatie in acties.

Hoogopgeleiden tonen daarbij duidelijk een gevoel van onmacht: ten aanzien van Europa en van de economische crisis. De Europese eenwording heeft overduidelijk economische voordelen. Maar het verhaal heeft ook een andere kant, en daar zijn de voordelen minder zichtbaar.

Diverse EU-lidstaten zijn in betalingsproblemen gekomen. En door een grote mate van onderlinge verwevenheid van economieën is ook Nederland, via een oplopende werkloosheid en staatsschuld, in de financiële problemen geraakt. In veel landen worden bezuinigingen afgedwongen, ook in Nederland, en wordt gesproken van een vergaande overdracht van verantwoordelijkheden van individuele lidstaten aan Europa. Of de EU in de beleving van (jonge) burgers nog garant staat voor stabiliteit en groei, vraag ik mij af. De schuldencrisis en de hiervan afgeleide werkloosheid in Nederland is niet door de Nederlandse overheid te veranderen, zo denken veel, met name hoogopgeleide, werkloze jongeren. De oplossing ligt volgens hen op internationaal niveau. Dat besef draagt vanzelfsprekend niet bij aan het mobiliseren van sociaal ongenoegen ten aanzien van werkloosheid.

Natuurlijk, ze kunnen tegen Europees beleid protesteren. Maar vaak denken deze jongeren dat de internationale economische crisis iets ‘ongrijpbaars’ is – en daar is het lastig een collectieve ‘vuist’ tegen maken. Publicist Geert Mak haalt in zijn boekje over de toekomst van Europa socioloog Bauman aan. Deze stelt: „Het is een situatie waarin mensen die geraakt zijn niet meer weten wat hen heeft getroffen – en waarin ze ook weinig mogelijkheden hebben om dat ooit uit te vinden”.

Protesteren staat derhalve niet hoog op de agenda van de hoogopgeleide werkloze jongeren die ik heb gesproken. Het haalt weinig uit, vinden ze. Bedrijven, instellingen en overheden staan in een voor hen onoverzichtelijk netwerk tot elkaar. Waar zouden ze in de praktijk tegen moeten protesteren?

Laagopgeleide werkzoekenden zijn eveneens amper bereid te protesteren, maar om een andere reden. In hun leefwereld past demonstreren met andere werklozen niet bij de eigen identiteit. Sommigen associëren dit expliciet met de arbeidersklasse – en dat is iets waar ze zelf toch niet bij horen? Door een gebrek aan identificatie met andere werklozen zijn ze niet gemotiveerd tot actie over te gaan. Het idee van protest is onverenigbaar met hoe ze in het leven staan.

Dat het denken in termen van ‘demonstratie’ en ‘protest’ niet direct aansluiting vindt bij werkloze jongeren, sluit overigens goed aan bij eerdere bevindingen van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Ook zij concluderen dat, in het geval van ervaren onrecht en achterstand, jongeren het niet zonder meer nodig achten om te protesteren.

Natuurlijk, een groot deel van de Nederlandse werkloze jeugd studeert nog en de problemen zijn daarom te overzien. Maar daarnaast verklaren een ervaren verlies van grip op Europa en haar schuldencrisis én het ontbreken van een gevoel van onderlinge verbondenheid met andere werklozen ook waarom jongeren niet tot collectieve actie overgaan. Ook al raken jongeren hun werk kwijt, of komen ze na hun studie niet aan de slag, toch zorgen de omstandigheden er niet voor dat ze massaal tot actie overgaan.

Natuurlijk past een disclaimer. Zo kan, onder invloed van een drastisch politiek (bezuinigings)besluit, het mobiliserend vermogen van een charismatisch politiek leider en/of een algehele omslag in de publieke opinie, alsnog een grootschalig jongerenprotest ontstaan. Vooralsnog blijft dat echter uit. Machteloosheid en een gebrek aan identificatie met anderen staan zo’n protest in de weg.