Jack, Escorial, Trijntje, Giacometti

Joyce Roodnat

Ineens ging het gerucht dat Jack Nicholson stopt met acteren. Het werd ontkend, bevestigd en weer furieus ontkend. Terwijl het niet uitmaakt. Jack Nicholson is allang gestopt.

Wat was hij goed, in Easy Rider, in Profession Reporter, in The Shining. In al die andere films over personages als open zweren, altijd gevoeliger dan goed voor ze was. Ik dank hem nog altijd voor dat ene moment in Heartburn. Een verwaarloosbare film uit 1986, over overspel. Nicholson was de echtbreker. Niks bijzonders, braaf binnen de lijntjes. Tot hij plotseling een pasgeboren baby naast zijn gezicht hield, zo’n vormeloos hompje nieuwe mens. En hij oogde zo vertederd, zo ongefilterd van ‘kijk nou!’, dat me de tranen in de ogen schoten. Wat een acteur!

Dus ja, ik ben een fan.

Maar nee, ik zal ’m niet missen, mocht hij er inderdaad mee ophouden. Voor een Batman-film had hij nog nut: met zijn Joker bezegelde Nicholson in 1989 zijn versteende imago als iets voor een cartoon. Sindsdien bleef hij steken in de combi grijns, grofheid en gouden hart en speelde hij de ene onbehouwen kerel na de andere. Daarbij laat hij nogal eens zijn ouwemannenbuik zien. Het mocht wat. Van zo’n buik kijk ik niet op. Tenzij hij vast zit aan een acteur die weergaloos een ouwe kerel neerzet.

Zoals Josse De Pauw en Dirk Roofthooft. In het Zeeland Nazomerfestival tonen zij hun buiken in het stuk Escorial, op locatie uitgevoerd in de Grote Kerk in Veere.

Geen van beiden is de jongste meer en daar staan ze dan, in de intimiteit van uitgezakte lijven onder elkaar. De Pauw speelt de potentaat-koning van middeleeuws Spanje, Roofthooft is zijn nar. Maar in hun onderbroek zijn deze mannen allebei de nar, wat een fatale schuiver in hun onderlinge verhoudingen teweegbrengt. De dood slijpt zijn bijl en door die dubbele naakte pens voel je dat, nog voor het aan de hand is.

Prachtig. En toch doet het stuk mislukt aan. Het Escorial is de koninklijke Spaanse burcht. Ik bezocht dat monster ooit en ik verheugde me extra op deze voorstelling. Wat een geweldig idee om dat enge Escorial op te roepen in die kolos van een kerk, die boven Veere hangt alsof hij van plan is Veere op te eten.

Wie op locatie speelt moet het beest eronder houden. Die temt zo’n plek. Ik heb eerder voorstellingen in de Grote Kerk in Veere gezien en altijd lukte dat. Maar de makers van Escorial zijn er bang voor. Er is een hoek in de Kerk afgeschut en daar wordt gespeeld, veilig want je voelt hem niet meer. Zo jammer is dat. Wat had ik graag deze koning en deze nar zien opboksen tegen de ontzagwekkende gewelven, holten en nissen.

Dan Trijntje Oosterhuis. Die gaf een concert op het binnenplein van de abdij van Middelburg, en dat deed ze met een verfrissend gebrek aan glamour. Opzet of onhandigheid? Ik weet het niet, maar zelden zie je popzangers (m/v) zo onflatteus van gedrag en kleding. Ze zong en bewoog als one of the boys of the band. Volledig. Ze speelde zelfs luchtgitaar.

Aanvankelijk vertrouwde ze erop dat haar fans alles doen wat ze wil: vanaf de eerste minuut meeklappen, meedeinen zonder aanleiding en ook nog eens braaf die verplichte saaie drumsolo uitzitten.

En toen zong ze de blues: ‘Crying over you’. Haar stem jankte tegen de Abdijmuren op, en die waren na al die eeuwen toe aan juist dit nummer. Dit ben ik, wasemde ze uit. Het plein gaf zich gewonnen.

Crying. De koning. De Nar. Trijntje. Ziehier de mens, ecce homo.

Maar dat begrijp ik pas in Kopenhagen waar ik in het Louisiana Museum naar de Deense schilders zoek. Naar het schilderij ‘Iets blijft achter’ dat Cobra-feestbeest Asger Jorn in 1963 maakte rondom een grijnzende blauwe larf. Naar de potloodhalen en olieverfvegen waarmee Per Kirkeby in dezelfde tijd, 1964, zijn vier laconieke ‘Portretten van auto’s’ schilderde.

Onderweg passeer ik een stel bronzen schimmen van Alberto Giacometti. Zijn uitgerekte sidderbeelden zijn overbekend en worden vaak geëxposeerd. Dat weet ik nu wel, denk ik lui.

Nee, dat weet ik helemaal niet.

Ik kijk toch even. Ik zie variaties op Da Vinci’s ‘Ecce homo’. Ook Giacometti toont de condition humaine door de mens te reduceren tot een essentie: lengte, nauwelijks volume. Maar voor hem hoorden er gezichten bij en die vielen me niet eerder op. Ontzet kijken de beeldjes, uitdagend, gealarmeerd. Eigen. Ziehier de mens. Hij is een individu.