Ik was eigenlijk altijd bang

„Ik ben slachtoffer, geen dader.”

Prima hoor. Vind David Ambinder maar een loser. Lach hem maar uit omdat hij eerst steeds naar India vloog om het Lehman-kantoor daar te runnen, en nu in een onaantrekkelijk deel van de onaantrekkelijke staat New Jersey werkt.

Doe maar geringschattend, omdat hij eerst vijfhonderd man had om de reizen en de maaltijden van de bankiers te verzorgen en nu zes loodgieters plus secretaresse Ann in dienst heeft.

Gniffel maar omdat hij eerst zo’n gewilde corner office, op een hoek, dus met meer uitzicht, in de luxueuze Lehman-wolkenkrabber had en het nu moet doen met een rommelhok met gaten in de muur boven een matig Italiaanse restaurant, aan een doorgaande weg in de provincie.

Toe maar, lach maar. David Ambinder (52) weet wel beter. Hij is gewoon héél gelukkig, als baas van zijn eigen Mr. Handyman-vestiging. Met de zes bestelbusjes die langsrijden voor al uw verstopte wc’s. Met de vijftig hamers die in zijn boeken staan onder het kopje ‘bezit’. En, op een septemberdag als deze, met hoe hij geacht wordt eruit te zien. Hij trekt zijn plakkende rode T-shirt nog eens van zijn borst. „Dat is het állermooiste van weg zijn bij de bank. Nooit meer een pak.”

Vijfentwintig jaar werkte hij op Wall Street, bij de gevestigde namen. Salomon Brothers. Goldman Sachs. Lehman Brothers. Achteraf bezien had hij de signalen moeten oppikken. Toen terroristen in 1993 het World Trade Center probeerden op te blazen met een busje vol explosieven, werkte hij boven. Toen andere terroristen in 2001 de torens naar beneden wisten te krijgen, stond hij in de kantoorkolos ernaast. Eerst de klap. Schudden. Rennen.

Maar er is meer dan grote crises op Wall Street. Er dreigt namelijk altijd iets. Ontslag. Eén fout en het is voorbij. „De onzekerheid is gruwelijk. Je weet nooit wanneer jouw dag komt.” En dus is er een dik salaris, en dus probeerde hij het gevaar voor te zijn. Door altijd te werken. Door ’s ochtends met zijn mensen in Londen te bellen, ’s avonds met Tokio en overdag had hij nog die New Yorkse baan. „Op Wall Street was ik eigenlijk altijd bang.”

Zijn dag kwam al vroeg in de zomer. Hij zag het niet aankomen, het was een dag als alle anderen. „Blah blah blah”, zei zijn baas. „Ik snap het”, reageerde Ambinder.

Achteraf was zijn snelle ontslag een voordeel: omdat Lehman nog een paar maanden bestond na zijn vertrek, kreeg hij die maanden een ontslagvergoeding doorbetaald. Daarmee werd ook voor hem het weekend van de vijftiende het meest ingrijpend. Hij was naar Singapore geweest, Londen, Tokio, allemaal voor één baan die zo goed als binnen was.

Na de val van Lehman werd zijn nieuwe functie simpelweg geschrapt. Bezuiniging. Niet meer nodig. Oeps. „Toen had ik opeens geen geld meer”, dat zat allemaal in aandelen, bij Lehman gebruikelijk, „maar wél twee studerende dochters. Voor het eerst maakte ik me zorgen of iedereen wel te eten had.” Daarom „ben ik een slachtoffer omdat ik bij Lehman werkte”, geen dader. „Ik had niks met die producten te maken waardoor we zijn omgevallen.”

Hij kocht een Mr. Handyman-vestiging en doet het zo goed dat hij franchisenemer van het jaar werd. Allemaal dankzij Lehman. Want groot denken, zegt hij, maakt klein doen eenvoudig. „Ik ben goed met mensen, niet bang voor cijfers, ik kan gewoon alles.”

Dat geldt alleen niet voor de mensen om hem heen. Waren zijn Lehman-collega’s eerst „geweldig en stimulerend”, nu zit hij met „mannen die al vinden dat ze goed gewerkt hebben als ze bij een klus aankomen”. Dat levert soms strubbelingen op.

Nou, goed dan. Alleen daarom is enig medelijden met David Ambinder toch wel gerechtvaardigd.

Freek Staps