Hoera voor de scheppende kracht van biotech

Adam Rutherford, geneticus en programmamaker voor de BBC, heeft een boek geschreven dat er eigenlijk twee zijn. Je kunt aan allebei de kanten beginnen. Kies je de ene kant, dan krijg je 150 pagina’s over de oorsprong van leven. Draai je het boek om, dan gaat het ongeveer evenveel bladzijden over de toekomst van leven. Dat wil zeggen, over hoe we op moleculaire schaal steeds meer greep krijgen op dat leven. En het naar onze hand zetten.

Die tweezijdigheid van het boek is grappig. Maar dat niet alleen. Het geeft ook een diep gevoel van tijd en continuïteit, door het verleden van zo’n drieënhalf miljard jaar geleden te koppelen aan het heden.

De overkoepelende titel van het boek luidt Schepping. Dat suggereert een religieuze ondertoon, maar die vind je hier niet terug. Het is hardcore biochemie.

In het ‘oorsprong-deel’ behandelt Rutherford de diverse componenten van een cel, de machinerie die DNA kopieert en vertaalt, de manier waarop een cel aan energie komt. Voor de leek is dit deel het taaist. Hier rijst dan ook het sterkst de vraag voor wie Rutherford het heeft geschreven. Voor chemici en biologen zal het meeste gesneden koek zijn. Maar voor de leek gaat hij juist erg diep.

Misschien had Rutherford het best kunnen beginnen met de prikkelende vraag die hij op pagina 87 stelt: wat is eigenlijk leven? Is er een sluitende definitie voor te geven? Hier haalt hij de Nobelprijswinnaar Jack Szostak aan. Die vindt de hele zoektocht naar zo’n definitie dodelijk vermoeiend en irrelevant. Je gaat van eenvoudige chemische stoffen naar ingewikkelder chemische stoffen, zegt hij. Van primitieve cellen naar complexere cellen. Om het proces en alle verschillende stappen te begrijpen werkt een definitie alleen maar beperkend. Het is volgens Szostak helemaal niet nodig om te zeggen: „Hier loopt de grens: aan deze kant is het chemie en aan die kant biologie.” Dat beperkt hem te zeer in zijn pogingen iets van dat traject te reconstrueren.

Het ‘toekomst-deel’ van het boek concentreert zich op de synthetische biologie, de tak van wetenschap die probeert cellen als fabrieken te bouwen met een minimum aan ingrediënten. Het gaat over pogingen om met zulke gefabriceerde cellen diesel te produceren, of het malariamedicijn artemisinine. Goed van Rutherford is dat hij zich niet laat meeslepen door grootse toekomstvisies, waarin de synthetische biologie alle problemen oplost waar de huidige mens tegenaan loopt. Hij benadrukt dat biologische systemen complex zijn. Wetenschappers begrijpen nog lang niet hoe alles werkt. Vaak genoeg loopt het op een mislukking uit. Zoals die pogingen om op commerciële schaal diesel te maken.

Ondanks die waarschuwingen toont Rutherford zich aan het eind van dit deel toch een onvervalste optimist. Hij eindigt met een pleidooi voor vooruitgang. En hier komt dan toch even God om de hoek kijken.

Geen enkele technologie concurreert sterker met het beeld van een scheppende God dan de synthetische biologie, schrijft hij. Dat kan ervoor zorgen dat deze technologie op veel weerstand stuit. Rutherford waarschuwt hiervoor.

De synthetische biologie belooft veel mogelijkheden om onszelf en de natuur te verbeteren. Om de controle over de wereld verder te vergroten. We mogen die kennis niet knevelen. Op de vraag ‘moeten we wel alles doen wat we kunnen’ antwoord hij onomwonden: we hebben geen keus. De voordelen zijn te groot om te negeren, of tegen te houden.