Het enige wat ik kon was niks meer waard

„Alsof ze me in mijn buik stompten”, zegt Larry McDonald. Hij ziet zichzelf nu als hulpverlener.

Luister, zegt hij dwingend terwijl hij op zijn telefoon e-mails blijft afhandelen. „Luister. Met dit gesprek heb ik niks te winnen. There’s no upside here.” Misschien, heel misschien, nodigt een Nederlandse bank of een beleggingsclubje hem tegen betaling uit voor een praatje, zoals hij er zoveel houdt. Of hij verkoopt er „een of twee” boeken extra door – maar wat maakt dat nou uit, op 300.000 exemplaren. In Nederland heet het De ondergang van het gezond verstand. Eigenlijk zou hij gewoon aan het werk willen. Handelen. Is dat oké?

McDonald (47) kocht en verkocht, schoof met miljarden om er miljoenen winst mee te maken. Hij zegt dat hij voor de val 90 miljoen dollar (nu 68 miljoen euro) voor de bank verdiend heeft en de best presterende handelaar uit die tijd is. Hij en zijn collega’s waren „echt heel getalenteerd” en natuurlijk hoorde hij bij de groep „extremely brilliant intelligent people”.

Te controleren is het niet. Maar over wat hij over de werksfeer bij Lehman zegt lijkt iedereen het wel eens: „We werkten hard, met passie en een neiging tot overcompensatie.” Om zeven uur ’s ochtends hingen de kapstokken al vol.

De „beauty of the bank”, zegt hij, was de vierde verdieping, waar de handelaren hun zalen vol terminals met eindeloos verschietende cijfertjes hadden. „De rot” zat bovenin. Hij bedoelt topman Dick Fuld, wiens zijn chauffeur vanuit de auto een portier opdroeg een lift vrij te houden zodat Fuld niet hoefde te wachten op weg naar de 31ste. Op zich best, maar „totaal losgeslagen van de werkelijkheid.”

McDonald maakte deel uit van een infaam geworden groepje dat de top probeerde te waarschuwen voor de investeringen op de hypotheekmarkt. Tevergeefs. „Toen het verkeerd ging werd het een stoelendans waarbij iedereen wanhopig een veilig plekje zocht.” Een voor een werden ze de wolkenkrabber uitgeduwd, op zoek naar nieuwe uitdagingen en meer tijd voor hun gezin. Alsof ze dat wilden.

Dat hele weekend was hij aan het mailen met zijn oud-collega’s. „Mijn telefoon stond in brand en mijn vrouw was pissig.” Om tien uur probeerde hij naar bed te gaan en om twee uur ’s nachts, zondagnacht, stond hij op. „Dat deed ik wel vaker. Meestal deed ik dan een klein vreugdedansje als er eens een bedrijf was omgevallen.” Van dat soort „lijken”, zo noemt hij deze bedrijven, worden op ellende gokkende handelaren immers gelukkig. Alleen: dit keer was zijn eigen bedrijf dood. „Slapen kon niet meer. Ik heb die nacht mijn vrouw alleen maar heel stevig vastgehouden.”

Zijn eigen ontslag? „Alsof ze me in mijn buik gestompt hadden. De toekomst zag er gewoon heel somber uit – al mijn geld zat in waardeloze aandelen. Meer dan een miljoen, zomaar verdwenen. Ik moest echt heel diep graven om iets positiefs te zien.”

Behalve het geld was hij ook zijn zelfvertrouwen kwijt. „Het enige wat ik kon – handelen – was niks meer waard. Er wás niks te handelen.” Spijt? Niet meer dan dat hij meer te zeggen had willen hebben. Dán had hij er iets aan kunnen doen.

Niemand heeft zichzelf beter heruitgevonden dan hij, zegt hij. Van Bankier (eigenbelang) naar Hulpverlener (anderen hebben iets aan zijn ervaringen, liefst tegen betaling). Dan is het gedaan met de zelfverheerlijking. Hij staat op in het kleine kamertje waar zo veel stoelen om een tafel staan dat botsen onvermijdelijk is. Aan de andere kant van de deur honderden schermen, waar handelaren apathisch naar zitten te staren. Gesproken wordt er nauwelijks, her en der neergezette ventilatoren houden het koel.

Zomaar ergens staat McDonalds bureau en het enige verschil tussen hem en de mensen om hem heen is dat zíj twintig jaar jonger zijn en híj boeken heeft staan. Een eigen kantoor hoeft niet hoor, benadrukt hij op weg naar de lift. „Anders raak ook ik zo losgezongen van de werkvloer.”

Freek Staps