Gij zult niet wandelen

Getraind loper Arjen Fortuin treedt buiten de gebaande paden. Trailrunnen blijkt vermoeiender dan hardlopen.

Foto Shutterstock

ag ik iets zeggen over dat trailrunnen van jou”, vraagt mijn vrouw, zonder een antwoord af te wachten. „Als ik een man in korte broek dwars door het bos ziet rennen, denk ik vooral dat hij hulp nodig heeft.” Hulp nodig. Er zijn zaken waarmee een man bewondering oogst van zijn gezinsleden en er zijn zaken waarmee hij verwondering oogst. Trailrunning hoort duidelijk bij het laatste. In zijn extreme variant (78 kilometer over drie Alpentoppen, zoals Wim Derksen op 30 juli in deze krant beschreef) is het heroïsch, maar wat onderneemt de beginnende Nederlandse buiten-de-padenrenner?

Natuurlijk heb ik in mijn wekelijkse asfaltrondje (wat minder dan dertien kilometer in wat meer dan een uur) ook stukjes natuurloop. Er zit een kilometer schelpenpad bij en natuurlijk het Westergaskopje, een aarden helling die meer dan 22 procent omhoog gaat, stoffig in de zomer, een modderstroom bij regen. Zeker na een uur rennen voel je het Westergaskopje zo omhoog je kuiten in schieten. In elk geval gedurende de twintig passen die je nodig hebt voor je de top bereikt.

Ik ben dus wel wat gewend. Maar een nieuwe hobby begint met nieuw materiaal, want een mens kan natuurlijk niet op jogsloffen de Matterhorn over. Bij hardloopspeciaalzaak Run2Day blijkt een trailrunschoen van ASICS sprekend op een gewone hardloopschoen te lijken. Het profiel is echter dieper en de bovenkant is waterafstotender, laat ik me vertellen.

Stap twee is de route. Beginners wordt geadviseerd om een bestaande ATB-route of boswandeling te zoeken en daar dan de eerste passen op het trailrunningpad te zetten. Ik besluit een 12 kilometer lange wandeltocht tussen Amersfoort en Soest te nemen, die we vorig jaar in gezinsverband hebben gelopen. Dat voedt meteen mijn twijfel over het trailrunningproject. Kijk naar de voordelen die iedereen noemt: de rust van de natuur om je heen, kleine obstakels, hoogteverschil in plaats van rechtdoor jakkeren. Dat zijn eigenlijk de dingen die wandelen ook aantrekkelijk maken. Is trailrunning niet gewoon een soort elektrische fiets, een ouderdomsverschijnsel, een fase in de transformatie van een hardloper in een wandelaar? Ik neem een besluit: ik zal debuteren op mijn wandelroute – maar ik ga niet wandelen.

Even buiten Amersfoort duik ik het bos in, me afvragend hoe ik hier moe van moet worden. Zo ver is 12 kilometer nu ook weer niet. Ik moet mezelf uitputten, dit is immers sport. Gelukkig regent het: heroïek moet je doen. Ik zoek steeds een kleiner paadje, hopend op boomstronken, kuilen en ander ongerief. Als ik een plas zie, spring ik er als een kleuter middenin – ‘iets waterafstotender’ blijkt een rekbaar begrip. Als ik ver genoeg van de bewoonde wereld meen te zijn, verlaat ik het pad en zigzag ik tussen de bomen door. Ha, een modderpoel! Ik vlieg over een omgevallen boom en storm door een greppel (drie meter verderop is een bruggetje, maar dat is de trailrunner te min).

Het bos vult zich met geluiden, wat te maken kan hebben met de nabijheid van de Amersfoortse dierentuin, die onder meer een aantal nagebouwde, zeer luidruchtige dinosaurussen herbergt. Ik besluit alle ANWB-paddestoelen en gekleurde paaltjes te negeren – die zijn voor wandelaars – en beland binnen vijf minuten drie keer voor hetzelfde dierentuinhek.

Sahara

Intussen is er iets merkwaardigs met mijn ademhaling. Die gaat steeds sneller. En mijn kuiten voelen wat gespannen. Na twintig minuten? Kennelijk is er aan dat trailrunnen toch iets wat het vermoeiender maakt dan gewoon hardlopen. Inmiddels loop ik langs de plassen in plaats van erdoorheen en dat steile heuveltje laat ik ook even voor wat het is. Ik neem een stuk geasfalteerd fietspad, maar dat voelt ineens onaangenaam hard onder de voeten. Het gaat ook steeds langzamer, maar nee, ik ga niet wandelen.

De route leidt door een stuk villawijk (glimlachende huisvrouwen met grote honden) en dan sla ik rechtsaf een pad in. Even verder opent het bos zich en zie ik een reusachtige zandvlakte met wat overgebleven heide en verspreide naaldbomen. Schitterend, maar ik moet naar de overkant. Honderden meters mul zand, heel mul zand. Wat de Sahara voor Afrika is, is deze vlakte voor Soest. En dan begint ook de zon nog te schijnen. Mijn schaduw is lang, ik ploeg me een weg door de woestijn, zak tot mijn enkels weg, maar ik ga niet wandelen.

Ik ben er, in de verte zie ik het spoor. Nog een paar honderd meter over een pad met het spoor aan mijn linkerhand – hier ergens moet station Soest-Zuid zijn. Het duurt langer dan ik verwacht. Terwijl ik afzak naar een bedenkelijk sukkeldrafje zie ik ineens ook aan de rechterkant rails. De strook waarop ik loop wordt steeds smaller. Een fuik!

Tegen beter weten in loop ik door tot de sporen voor mijn neus bij elkaar komen. Voor teruggaan ben ik te moe, ik moet het spoor over – je bent een trailrunner of je bent het niet. Ik kijk rechts en links. Geen intercity, maar wel een hek van zeker twee meter hoog. Hoe komt de trailrunner dáár nu weer overheen? Verderop ligt een grote berg oude takken en bladeren tegen het hek opgetast. Als ik erop klauter, beweegt het, maar ik kom er net bovenop het hek. Aan de andere kant kan ik de twee meter naar beneden springen en kom ik bij een wildviaduct, pardon, trailruncrossing.

Slalommend tussen de plaatselijke psychiatrische inrichtingen (hier kijkt niemand me verbaasd aan) bereik ik anderhalf uur na mijn vertrek het station van Den Dolder. Ik hol niet hard genoeg meer voor de vertrekkende trein, maar ik heb niet gewandeld.