Don: hoezo heeft kind recht op opa’s geld?

Politici willen minder steun voor al die rijke ouderen. Onderzoek verschaft hen nu munitie.

In politiek Den Haag circuleert een nieuwe lijst met maatregelen die voor veel reuring onder ouderen zal zorgen. Gisteren ging hij, vergezeld van een dik rapport, naar de Kamer. Om de generatiediscussie van feiten te voorzien, zo heet het. Het is onderzoek in opdracht van het kabinet. Henk Don, oud-directeur van het Centraal Planbureau (CPB), werkte er bijna een jaar aan.

Het zijn plannen die ertoe kunnen leiden dat AOW-gerechtigden er meer dan 10 procent op achteruitgaan. Maar ook plannen die miljarden vrijmaken voor belastingverlaging. Explosief materiaal. Dat realiseert Don zich terdege.

Bekend was al dat ouderen in tien jaar tijd hun inkomens- én vermogenspositie ten opzichte van jongeren flink verbeterden. Ze hebben meer pensioen opgebouwd dan generaties voor hen én ze profiteerden relatief veel van de stijging van de huizenprijzen tussen 1984 en 2008. Nieuw onderzoek laat zien dat ouderen die voorsprong op jongeren behouden.

Don, nu bestuurslid bij de de Autoriteit Consument en Markt, biedt ‘logische beleidsopties’; de politiek mag kiezen, maar kan niet niks doen, zo lijkt het. „De reflex is nog steeds dat ouderen arm zijn. Dat is onjuist. De vraag is nu óf en in welke mate je nog inkomensbeleid voor ouderen wilt voeren. Misschien is het wenselijker burgers te ondersteunen in een andere fase van hun leven. Dat is aan de politiek.”

Waar baseert u die constatering op?

„Van alle leeftijdsgroepen is de kans op armoede onder ouderen het kleinst. Het Planbureau heeft onderzoek gedaan naar risico’s die ouderen in de toekomst lopen. Pensioenen kunnen verder worden gekort of niet worden geïndexeerd. Ook kunnen de huizenprijzen verder dalen. Dat hebben we allemaal meegenomen. En wat blijkt? Over tien jaar hebben ze nog steeds hun voorsprong op jongeren, zowel qua inkomen als vermogen. Ook in de zwartste scenario’s, zoals bij verdere daling van de huizenprijzen met 20 procent, is dat zo.”

U laat bijna een miljoen zzp’ers buiten beschouwing. Van hen is bekend dat ze vrijwel geen pensioen opbouwen. Schept u wel een juist toekomstbeeld?

„We weten weinig over de inkomens- en vermogenspositie van gepensioneerde zelfstandigen. Je kunt niet zeggen dat, als een zelfstandige nu geen pensioen opbouwt, hij dat de rest van zijn loopbaan niet zal doen. Wat betreft de zelfstandigen is er een lacune. Dat is zonder meer juist. We hebben gedaan wat we konden.”

Critici van uw rapport zullen zeggen dat u spaarzaamheid bestraft.

Hij veert op. „Als je mensen vraagt waarom ze sparen, dan zeggen ze dat het voor de oude dag is. Dan mag het toch ook gebruikt worden voor de oude dag? Ik vind het zo vreemd om te zeggen dat de kinderen daar recht op hebben. Hoezo, denk ik dan. Die hebben toch niet gespaard? Als je ouder wordt en je heb behoefte aan meer middelen, dan kijkt iedereen opeens naar de staat. Juist voor ouderen is het vermogen een bron van inkomen. Ik vind het niet oneerlijk als de overheid nu zegt: dat is een stukje draagkracht. Dat wegen we mee.”

Maar waarom is het dan niet eerder gebeurd? Nu valt het aanpassen van regelingen veel ouderen rauw op hun dak.

„In 2000 waren ouderen nog niet zo vermogend als nu. Op dit moment heeft 40 procent van de 65-plussers een vermogen van meer dan 200.000 euro. En dan zou je daar niet aan mogen komen omdat het allemaal voor de kinderen is? Ja, sorry hoor. Daar zie ik de logica niet van in.”

Bent u niet bang dat ouderen het nieuwe beleid zullen omzeilen door al vroeg vermogen naar de kinderen te schuiven?

„Ja, dat gebeurt nu al met de AWBZ; vermogende ouderen moeten meer bijdragen aan hun zorg en willen dat voorkomen door kinderen geld te schenken. Heel ongemakkelijk. Dit is redelijk beleid, dus waar zijn we nu mee bezig? Ik realiseer me dat er beperkingen zijn aan de effectiviteit van zo’n vermogenstoets, maar dat is geen reden om er dan maar vanaf te zien.”

Politici die het beleid wilden wijzigen, stuitten steeds op grote weerstand. Waarom zou het nu wel lukken?

„Het begint ermee dat je de feiten goed in kaart hebt. Daar was onduidelijkheid over. Het algemene beeld dat van ouderen bestond klopte niet. Dit rapport is een grondslag voor verstandig beleid.”