Dit hadden mijn goede jaren moeten zijn

Lehman viel en 28.000 bankiers waren werkloos. Ze werden hét beeld van de crisis, met hun dozen vol ontgoocheling. Onze correspondent van toen zoekt hen op. Vijf bankiers, vijf jaar later. Hoe gaat het nu? En hebben ze spijt?

Interview Wilco Faessen

Wilco Faessen voor zijn werk – het oude hoofdkantoor van Lehman Brothers, waar de Britse bank Barclays nu zit.

Het is een zonnige zondagmiddag in een parkje aan de rand van Manhattanen Wilco Faessen krijgt verontrustende berichtjes. Terwijl de belangrijkste bankiers op Wall Street elkaar onder leiding van de overheid nog proberen te redden, geeft een collega van Faessen het op. Hij pakt een doos, ruimt zijn bureau leeg. Verslagen.

Faessen is net bezig een balletje te trappen met zijn team van Nederlandse vrienden en de twijfel slaat toe. Meteen naar kantoor? Of toch spelen alsof er niks aan de hand is? Het is een ongemakkelijke wedstrijd – wie won, hij is het vergeten – en meteen na afloop springt hij toch in de auto, rijdt naar het hoofdkantoor van Lehman Brothers in de buurt van Times Square. Hij begint te downloaden, zet documenten op een usb-stick, print zo snel mogelijk zoveel mogelijk uit en loopt zelf ook met de zo iconisch geworden verhuisdozen naar buiten. En dat dan nog vier keer. „Ik deed alles wat niet mag.”

Maar ja, wat kon hij anders? Hij zat in „execution mode”, zoals hij het nu zegt. Prioriteiten stellen, uitvoeren, het diepe denken voor later bewaren. „Het was intens. De tijd stond stil. En ik was bang, bovenal. Wat gaat er met de wereld gebeuren, met de economie?”

Faessen, 39 jaar, afkomstig uit Sittard, werkt nu bij Barclays. Dat is de Britse bank die eerst Lehman niet wilde helpen maar een paar dagen na het beruchte weekend „voor niks” toch een deel van de bank overnam.

Voor niks? 1,5 miljard dollar was het. Faessen schudt van nee, aan de bar van een van de hipste New Yorkse hotels. Niks, dus. De blauwglazen wolkenkrabber van Lehman was 1,3 miljard waard, dus daar betaalde de Britse bank vooral voor. De divisie waar Faessen werkte ging, inclusief alle werknemers, voor een schijntje over.

De rest van de bank ging failliet, duizenden collega’s werden ontslagen –Faessen, die toen al vijf jaar voor Lehman werkte, had in ieder geval nog een baan. Al ging dat wel wat, hij zoekt naar zijn woorden, „met een slechte start”. Alle werknemers van de overgenomen afdelingen kregen namelijk dezelfde e-mail: „Klik hier als je een baan bij ons accepteert. Als je niet voor vrijdag reageert, heb je geen werk meer.”

Groetjes, personeelszaken.

Een „enorm zware tijd” volgde. Hij sprak veel met zijn klanten – grote internationale bierbrouwers en drankfabrikanten – die hij al die jaren begeleid had bij hun eigen fusies en overnames. Ze probeerden hem gerust te stellen. Desnoods kun je bij ons komen werken. Maar dan moest de economie geen rare dingen doen.

Collega’s vormden allianties, spraken over samen overstappen naar een concurrent, speculeerden over voor zichzelf beginnen. „Een slangenkuil”, dat was het, zegt Faessen. „Een verkeerde opmerking en je zat in het verkeerde kamp met de kans je baan te verliezen.”

Hoeveel hij verdiende bij Lehman wil hij niet zeggen – „daar zie ik geen meerwaarde in”. Het was, grapt hij, wel meer dan hij als tiener verdiende aan de lopende band van NedCar. Lehman betaalde werknemers voor het grootste deel (soms wel tot driekwart van de beloning) uit in aandelen die pas na vijf jaar verkocht konden worden. Die beloning werd waardeloos.

Sindsdien is het financieel niet veel beter geworden voor Faessen. Hij maakte wel carrière, hij werkt al zeventien jaar – en vele jaren honderd uur per week. „Ik zou meer moeten verdienen maar het is minder.” Hoe dat komt? De markt, zegt hij. Tijdens de eerste recessiejaren waren zoveel bankiers op zoek naar werk dat ze met een salarisdaling akkoord gingen.

„Dit hadden mijn goede jaren moeten zijn”, zegt hij. „Had ik mijn huidige functie maar eerder gehad, of was ik eerder geboren, dan had ik nu goed geld verdiend. Ik heb jaren verloren.”

Hij had meer verantwoordelijkheden willen dragen op dit punt in zijn loopbaan. Maar medelijden hoeft de Nederlandse lezer niet met hem te hebben, zegt hij. „Nee, hoor. Heb liever medelijden met mensen die niks te eten hebben.” Maar enige empathie is wel terecht, zegt Faessen. „Een beetje meevoelen mag best. We hebben het niet makkelijk gehad.”

Freek Staps