De heilige hardloopgeest Ware gelovigen

Zondagochtend hardlopen is misschien wel spiritueler dan zondagochtend naar de kerk. Ren nader tot uzelf.

Illustratie Roel Venderbosch

R

ennen is een religie geworden: als je er op let, zie je de gelijkenissen overal. In de zelfkastijding, natuurlijk. In de ascese. In de toewijding en de overgave. In de genade van het finishdoek. In de zondagochtend – de ochtend van de wedstrijd immers, of van de langste duurloop van de week – als het summum van de geloofsbelijdenis. En slaan die lopers nou een kruis voor de start? Nee, het is hun hartslagmeterroutine: gefrummel onder de linkerborst, gefrummel onder de rechter en dan een tikje op de pols. Soms kijken ze zelfs even omhoog als ze hun pols aanraken. Alsof ze contact zoeken met een onzichtbaar hemellichaam.

De Texaanse theoloog Roger D. Joslin weet niet wat spiritueler is, zondagochtend lopen of zondagochtend naar de kerk. „Het oude Israël”, zo citeert theoloog en neurowetenschapper Ineke Albers hem in het recent verschenen De god van het lopen, „was een maatschappij die leefde van de landbouw, en de viering van de sabbat betekende rust van de fysieke arbeid op het land. Hier in het Westen, in de eenentwintigste eeuw, werken de meeste mensen met hun hoofd. Een goede viering van de sabbat zou voor ons moeten betekenen dat we onze geest laten rusten. En een stuk hardlopen biedt daarvoor een uitstekende gelegenheid.”

Vroeger, schrijft Albers ook, had hardlopen echt iets religieus. Bij indianenvolken uit de vijftiende eeuw vormden hardlopende koeriers ‘een klerikaal elitekorps’. Deze broederschappen leken op monnikenorden. „De inwijding van een koerier vond plaats na een langdurige vastenperiode, hij mocht niet trouwen en zich ook verder niet met vrouwen bemoeien, moest zich aan een aantal dieetvoorschriften houden, moest regelmatig baden en zorgen dat hij altijd schoon was, moest elke opdracht in gelijkmoedigheid aannemen, ongeacht hoe ver die hem voerde en hoe moeilijk of gevaarlijk de tocht ook was, en hij moest voor zijn medemensen en andere schepselen vriendelijk en zachtaardig zijn. Verder moest hij mocassins van buffelhuid dragen.” Het leven van een moderne topatleet kortom, op een paar nuances na.

Dat lopen in oude culturen zo in aanzien stond, had met de centrale rol in de voedselvoorziening te maken. Goed kunnen lopen was letterlijk heilig. „Hardlopen is een menselijke oereigenschap”, schrijft de Noorse antropoloog Thor Gotaas in zijn verhalenbundel Hardlopen. Ons „ongelofelijke uithoudingsvermogen” was wat ons van onze jachtprooien onderscheidde. Een mens is traag, maar door zijn efficiënte tred en miljoenen zweetklieren kon hij op warme dagen zelfs een antiloop tot uitputting dwingen.

Nu we wéér rennen, omdat het kan, niet omdat het moet (of misschien toch), krijgt de natuurlijkste aller bewegingen vanzelf spirituele dimensies. We rennen niet meer om ergens te komen, we rennen om tot onszelf te komen. Zoals een Nederlandse deelnemer aan de 168 kilometer lange Ultra-Trail du Mont-Blanc het in de komende Runner’s World verwoordt: „Door de eindeloze herhaling van dezelfde beweging breng ik mezelf in trance. Zo vind ik antwoord op mijn levensvragen.”

Rekkelijken

Zoals het gaat met religies, kent het rennen inmiddels ook zijn eigen schisma’s. Zijn er rekkelijken en preciezen, zelfs waar het zo’n eenvoudig onderdeel als rekken betreft. Altijd, nooit, soms, alleen vóór het lopen, alleen na het lopen, statisch, dynamisch? De emoties lopen op, maar nooit zo hoog als bij het diepste schisma: loop je hard op schoenen of doe je dat blootsvoets? De Maarten Luther van dit schisma heet Christopher McDougall, een Amerikaan die een boek schreef (Born to Run) over de Tarahumara, een oude indianenstam van geboren ultralopers, lopers van extreem lange afstanden. Met McDougalls boek begon een voor de loopsport ongekend felle richtingenstrijd over het juiste schoeisel (met demping, of zonder, zoals de sandalen van de Tarahumara) en de daaruit volgende looptechniek. ‘Haklanders’ werd de bijna pejoratieve naam voor het overgrote deel van de lopers. Zij komen niet uit Hakland, maar landen op hun hak.

Echte ongelovigen tot slot, die heb je natuurlijk ook. De ‘hardlopers zijn doodlopers’-zeggers op feestjes, de ‘ze hebben ‘m al!’-roepers langs de weg. Er zijn sceptici die wijzen op de talloze blessures, of op de hartaanvallen onderweg. Nog maar veertig jaar geleden vormden zij de meerderheid. Toen lopen nog een obscuur tijdverdrijf was voor mannen met baarden – eigenlijk zoals elke religie ooit begon.

Olivier Heimel is hoofdredacteur van hardloopmagazine Runner’s World, het volgende nummer verschijnt 19 september.