De geest moet uit de fles

Talenstudies die verdwijnen, minder geld voor onderzoek, kritiek van collega’s. De geesteswetenschappen verkeren in crisis. Althans, dat is het beeld. Maar klopt dat wel? Niet echt, blijkt uit gesprekken met vijf hoogleraren. „We moeten beter gaan uitdragen hoe waardevol we zijn.”

Wanneer ben je als geesteswetenschapper goed bezig? Een optie is: zoveel mogelijk publiceren in internationale wetenschappelijke tijdschriften. Maar ja, meestal zijn zulke publicaties slechts voor een handjevol mensen interessant. En intussen staan er veel studenten op de stoep die steeds goedkoper onderwijs moeten krijgen. Een andere optie is: boeken en opinie-artikelen schrijven. In de eigen taal en over maatschappelijk relevante kwesties. Alleen: zo bouw je geen lijst op met veel geciteerde publicaties. En welke instelling wil dan nog je onderzoek betalen?

Is het wellicht efficiënter om nu en dan op televisie over je werk te vertellen, en over het nut daarvan? Maar nee. „We moeten natuurlijk af van de idee dat je je werk gevaloriseerd hebt als je 1 minuut en 18 seconden bij Pauw & Witteman hebt opgetreden”, zegt historicus Wijnand Mijnhardt opgewekt. Zulke optredens maken onderzoek niet als vanzelf relevant.

Kortom, wat is wél goede geesteswetenschap? Geesteswetenschappers discussiëren daarover nu al jaren en de pessimistische toon van die discussie suggereert dat ze in een ware identiteitscrisis verkeren. Toch is het niet alleen kommer en kwel. Drie sombere uitspraken zijn vatbaar voor nuance, zo blijkt uit gesprekken met vijf vooraanstaande geesteswetenschappers.

1 Er is steeds minder geld. „Een gevoel van malaise. Zo kun je het sentiment onder geesteswetenschappers wel samenvatten.” Zegt Ingrid Robeyns, hoogleraar filosofie aan de Erasmus Universiteit en directeur van de onderzoeksschool Wijsbegeerte. „Over de jaren heen zijn de structurele investeringen in het onderzoek afgenomen. Dat voel je op de werkvloer.”

Het begon al in 2008 toen minister Ronald Plasterk (PvdA) van Onderwijs structureel 100 miljoen euro van het jaarbudget van de universiteiten naar onderzoeksfinancier NWO overhevelde. Daardoor moeten onderzoekers vaker in competitie fondsen zien te verwerven. In 2011 kwam er nog het topsectorenbeleid van minister Maxime Verhagen (CDA) van Economische Zaken bovenop. Het betekent dat NWO jaarlijks eenderde van haar geld (725 miljoen euro) moet reserveren voor onderzoek binnen negen economische sectoren, waaronder chemie, ‘agrofood’, hightech en water. „En de kaarten zijn daarbij voor de geesteswetenschappers niet goed geschud: ze kunnen eigenlijk maar in twee van die negen sectoren meedingen”, zegt Robeyns.

Natuurlijk, onderzoekers hebben meer mogelijkheden. Ze kunnen ook onderzoeksgeld binnenhalen bij Europa of uit andere NWO-potjes. Maar naarmate de competitie toenam, slonken de kansen op succes. „Tien jaar geleden lagen ze nog rond 26 procent, nu rond de 15 procent”, zegt Robeyns. Frustrerend, omdat het schrijven van al die onderzoeksvoorstellen veel tijd vergt, en zo ten koste gaat van het onderwijs.

De reden voor die inderdaad geslonken kansen is dat er de laatste jaren meer onderzoeksvoorstellen binnenkomen, zo laat een NWO-woordvoerder weten. En dat komt mede doordat universiteiten minder geld in onderzoek steken. Maar: dat geldt voor alle wetenschapsgebieden.

Inderdaad, op de geesteswetenschappen is niet meer bezuinigd dan elders. Zegt Rens Bod. Hij is hoogleraar ‘computational and digital humanities’ aan de Universiteit van Amsterdam en deelnemer in het onderzoeksproject ‘Language in Interaction’ waaraan NWO vorig jaar 27,6 miljoen euro toekende. Bod: „Het regieorgaan geesteswetenschappen heeft zelfs extra geld gekregen.” In 2009 kreeg dat nieuwe orgaan de taak om voorstellen van de faculteiten geesteswetenschappen te beoordelen.

Dus, crisis, malaise? Nee, zegt Bod. „Ik doe niet mee aan het gemopper. Kijk alleen al hoe goed de Nederlandse geesteswetenschappen scoren op internationale ranglijsten!”

Ook Theo Engelen, hoogleraar historische demografie aan de Radboud Universiteit Nijmegen en decaan van de letterenfaculteit, wijst op de positieve punten. Het aantal studenten binnen de geesteswetenschappen is, ondanks een daling in de afgelopen drie jaar, nog altijd hoger dan 15 jaar geleden. Het aantal (internationale) publicaties en promoties is fors toegenomen. En het gebied scoort ook buitenproportioneel goed bij de toekenning van de prestigieuze Spinoza-premies.

Kortom, tegengestelde geluiden. Waarschijnlijk komt dat mede doordat sommige geesteswetenschappelijke disciplines beter gedijen in het huidige onderzoeksklimaat dan anderen. Onderzoeksfinanciers als NWO hebben wat Bod een ‘positivistische en empirische inslag’ noemt – ze zijn gericht op toepassingen en concrete resultaten. Dat maakt het voor filosofen, literatuurwetenschappers en historici vaak lastiger om geld binnen te halen dan voor bijvoorbeeld taalkundigen. Bod: „Het vechten om geld lukt niet iedereen even goed.”

2 De ene na de andere opleiding verdwijnt Het speelde het afgelopen jaar een hoofdrol in de discussie over de geesteswetenschappen: het verdwijnen van kleine talenstudies. De Universiteit Utrecht hief de studie Portugees op, in Groningen verdwenen Noors en Deens en de Universiteit van Amsterdam maakte een einde aan Roemeens.

Dat sloot aan bij het beeld van versnipperde en daardoor kwetsbare geesteswetenschappen dat onderzoekscommissies eerder al schetsten. Drie jaar geleden constateerde de commissie-Cohen in het rapport Duurzame Geesteswetenschappen dat de geesteswetenschappen in Nederland te veel kleinschalige afdelingen kennen die te weinig zichtbaar zijn in de maatschappij.

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen haakte daar dit voorjaar op in met het rapport Witte vlekken. Mede als gevolg van het topsectorenbeleid, maar ook wegens de gebrekkige samenwerking tussen universiteiten, dreigen kleine studierichtingen en onderzoeksgebieden van de kaart te verdwijnen, met name bij moderne talen, zo stelde dat rapport. Geesteswetenschappers zouden veel meer moeten samenwerken en hun plannen landelijk moeten afstemmen, zoals de bèta’s al zo lang doen.

Maar zo simpel ligt dat niet, vinden die geesteswetenschappers. Samenwerking en afstemming moeten niet zomaar van bovenop worden opgelegd, waarschuwt Marcus Düwell, hoogleraar filosofische ethiek in Utrecht en directeur van de onderzoeksschool voor Praktische Filosofie. „We hebben een traditie van pluraliteit. Vooruitgang in de geesteswetenschappen krijg je alleen als wij, vanuit al die verschillende tradities, ruzie met elkaar maken. De samenwerking en plannen moeten uit onszelf komen.”

Om die reden ziet Düwell ook geen heil in het topsectorenbeleid dat uitsluitend onderzoek binnen een aantal economische sectoren steunt. „Dat stimuleert geen vooruitgang.” Wat hem betreft heeft Brussel het slimmer gedaan door een aantal maatschappelijke uitdagingen te formuleren, ‘Grand Challenges’ zoals vergrijzing en klimaatverandering, waar wetenschappers uit allerlei disciplines oplossingen voor moeten bedenken.

En er is nog iets, zegt historicus en taalkundige Rens Bod. De aard van de geesteswetenschappen maakt samenwerking lastiger dan in de bètavakken. De natuurwetenschappen delen hun onderzoeksmethode. Dat geeft, ondanks onderlinge verschillen, een sterke gemeenschappelijke basis. In de geesteswetenschappen hebben disciplines juist allemaal hun eigen methodiek en onderzoekscultuur. Daarin schuilt schoonheid, vindt Bod, omdat het gelaagdheid biedt, en meerdere perspectieven. Maar inderdaad: het maakt de geesteswetenschappen óók kwetsbaar.

Toch kun je het verdwijnen van de kleine talen niet aan zulke versnippering wijten, vinden de ondervraagde wetenschappers. Het wegvallen van Portugees, Roemeens en Noors is volgens hen vooral een gevolg van de manier waarop het systeem is ingericht: studenten zorgen voor inkomsten. Dat is gunstig voor populaire nieuwe studierichtingen als communicatie, en het was desastreus voor een vak als Portugees, dat al jaren amper studenten trok.

Vooral vraagt het om bezinning op de inrichting van het onderwijs. Een alternatief zijn brede bacheloropleidingen waarin ook de kleine talen en andere bedreigde studies zijn ondergebracht. Als specialisatie binnen zo’n brede studierichting worden zulke kleine talen misschien zelfs weer aantrekkelijker. Want welke scholier besluit al op de middelbare school om zoiets als Soemerische talen te gaan studeren?

Sterker, sommige universiteiten zijn alvast begonnen met het samenvoegen van bacheloropleidingen. En misschien zou je die nog veel rigoureuzer moeten omgooien, zegt Bod. Waarom niet – wild plan – alle vakken gegroepeerd in drie brede opleidingen: beeld, geluid en taal&tekst bijvoorbeeld? Want: „Als je het totaal gefragmenteerde aanbod van opleidingen in de geesteswetenschappen bekijkt, bijvoorbeeld hier aan de UvA, dan moet je toegeven: het lijkt wel een Chinese menukaart.”

3 Wat heeft de maatschappij eraan? In de discussie is dit de hamvraag: wat is de maatschappelijke waarde van al dat geesteswetenschappelijk onderzoek? Auto’s, vaccins of computerchips hebben we er niet aan te danken. „De tijdgeest werkt tegen”, zegt filosoof Ingrid Robeyns. Het economisch belang staat centraal, en voor het bredere, langetermijnperspectief van de geesteswetenschap is nauwelijks waardering, zegt zij.

„De geesteswetenschappen worden te veel langs de lat van de natuurwetenschappen gehouden”, vindt ook Nijmeegs decaan Theo Engelen. „Van kennis naar kassa.” Maar zo werkt het in de geesteswetenschappen niet. „Hoe meet je het belang van inzicht in je eigen verleden? Nadat de economische crisis uitbrak in 2008 keken we terug naar de jaren dertig van de vorige eeuw. Daaruit kun je leren welke ingrepen wel en niet werkten. Of neem het thema buitenlanders. In de zeventiende eeuw waren er, als percentage van de bevolking, meer buitenlanders in Nederland dan nu. Dat soort inzichten zijn waardevol.”

Maar pas op, we moeten af van de simpele idee dat de geesteswetenschappen uitsluitend niet te kwantificeren inzichten opleveren, vindt historicus en taalkundige Rens Bod. De geesteswetenschappen hebben óók bijgedragen aan allerlei technologische innovaties. De ideeën voor ALGOL 60, de eerste hogere programmeertaal, kwamen rechtstreeks uit de formele grammatica die taalkundigen in de jaren vijftig bedachten, zegt hij. „En ooit bedachten stemmatische filologen de techniek waarmee DNA-onderzoekers nu de kopieerfoutjes, substituties, inserties en deleties in DNA beschrijven.” Ofwel: uiteindelijk zijn alle wetenschappers gewoon op zoek naar een beter begrip van de wereld.

Maar Wijnand Mijnhardt, directeur van het Descartes Centrum voor Wetenschapsgeschiedenis en Wetenschapsfilosofie in Utrecht, is kritisch. Het geesteswetenschappelijk onderzoek is sinds de jaren 70 enorm gegroeid. Bij de studie geschiedenis waar hij toen les gaf, sprongen de studentenaantallen van 30 à 40 per jaar in één klap naar 200 tot 250 per jaar. Die groei was aanvankelijk een bijproduct van het ideaal van ‘hoger onderwijs voor velen’. „De werkelijke vraag is mijns inziens dus: was en is al dat onderzoek echt nodig?”

Mijnhardt zelf was één van de universitair docenten die destijds werden aangenomen. „We wilden allemaal onderzoek doen, terwijl we dachten dat onderwijs iets voor de dommen was.” Het onderzoek werd zelfs zo belangrijk dat instellingen er nu grotendeels op worden afgerekend. Het leidde tot de werkdruk, de malaise, die veel geesteswetenschappers voelen, zegt hij. Enerzijds moeten universitaire medewerkers voortdurend vernieuwende onderzoekspublicaties schrijven, anderzijds staan er elke dag studenten op de stoep.

Het systeem faalt, constateert Mijnhardt. Zelf denkt hij dat het maatschappelijk belang van de geesteswetenschappen juist ook in onderwijs schuilt. „Het was altijd een van onze kerntaken: mensen opleiden tot docent en leraar. Ze leren lezen, schrijven, nadenken en spreken. Kortom, ze voorbereiden op een relevante taak in de maatschappij.” En of dan daarnaast al dat onderzoek nodig is... „Ik denk dat er te veel onderzoek gebeurt.”

Dit vindt niet iedereen. Geesteswetenschappers moeten juist duidelijker maken wat hen drijft, hun enthousiasme met anderen delen. Ze moeten lezingen geven, en stukken op de opiniepagina’s schrijven, stelt bijvoorbeeld decaan Engelen. „Je kunt nu niet eigenwijs in je studeerkamer blijven zitten en zeggen: stik verder maar.”

Filosoof Marcus Düwell formuleert het liever anders. Er gebeurt te veel traditioneel onderzoek, zegt hij. Het redigeren van boeken over Descartes, het bestuderen van historisch bronnenonderzoek... Daar zit het fundamentele probleem van de geesteswetenschappen, zegt hij. „We zijn niet genoeg voorbereid op onze rol in de samenleving. We moeten ons onderzoek maatschappelijk relevanter maken.”