De Europese ontgoocheling

Lang hebben Europese politici verteld dat de muntunie best zonder politieke unie kon. Door de financiële crisis zijn ze die illusie kwijt.

Wie wil begrijpen wat ‘Lehman’ voor Europa heeft betekend, had begin dit jaar met een Amerikaanse diplomaat mee moeten gaan naar Ierland. Tijdens zijn trip, georganiseerd door de Ierse regering, had hij een forumgesprek met burgers over Europa. Die avond maakte diepe indruk op de Amerikaan. „De Ieren waren zó negatief en bitter”, vertelt hij, „dat ik me op het laatst, als enige, gedwongen voelde om Europa te verdedigen.”

Wat de Amerikaan meemaakte, is de échte impact van vijf jaar crisis in Europa: niet zozeer bankschulden of overheidstekorten, als wel publieke ontgoocheling. In tientallen jaren hebben Europeanen langzaam de interne markt en de muntunie opgebouwd, zonder goed te beseffen dat ze eigenlijk een politieke unie opzetten. Door het faillissement van Lehman Brothers zijn hen de schellen van de ogen gevallen. Veel Europeanen, niet alleen de Ieren, zijn hier ongelukkig mee.

Jarenlang hebben Europese politici ontkend dat zij bezig waren een politieke unie te vormen. Ja, ze liberaliseerden. Maar dat, zeiden ze, was iets anders dan een politieke unie bouwen. Het Europese bedrijfsleven had de interne markt nodig om overeind te blijven tegen Amerikaanse en Chinese concurrentie. Maar de soevereiniteit van EU-landen, verzekerden de politici, bleef overeind. Elk land hield zijn eigen politieke bestel, belastingen en buitenlandse politiek. Toen zij de gemeenschappelijke munt opzetten, bleven de begrotingen nationaal. Daar hadden anderen niets over te zeggen, kregen de kiezers te horen.

Vijf jaar later weet iedereen dat deze „belofte van soevereiniteit”, om met de Franse econoom Michel Aglietta te spreken, weinig waard was. Aan elke munt, schrijven Aglietta en Thomas Brand in het boek Un New Deal pour l’Europe, zit een sociaal contract vast, namelijk een pot geld als back-up. Belastinggeld. Maar toen de crisis uitbrak, had de euro zo’n pot niet: er bestaan geen Europese belastingen. De EU-begroting bedraagt 1 procent van nationale begrotingen en mag niet aan de euro worden besteed. Toen Griekenland en de euro gingen schuiven, in 2010, moest deze back-up daarom haastig uit nationale potjes bijeen worden geschraapt.

Vooruitgangsroes

Zolang het goed ging, dachten Europese burgers over deze dingen weinig na. Een hele generatie verkeerde jaren in „een roes”, zei oud-premier Wim Kok eens. Een vooruitgangsroes. Alles werd beter, alles groeide. Velen geloofden dat crises, honger en oorlogen nooit meer zouden voorkomen. De Europeaan had zijn slechte instincten overwonnen en maakte zich vooral zorgen over zijn eigen besognes: zijn uiterlijk, zijn vakanties, zijn woning.

Volgens de Franse filosoof Zvetan Todorov legde dit onstuitbare vooruitgangsgeloof de basis voor de crisis. Restricties in de financiële sector werden opgeheven. De markt reguleerde zichzelf wel. Vier mensen hielden toezicht op alle IJslandse banken. Gevolg: animal spirits gedijden als nooit tevoren.

In Amerika veroorzaakte de crisis financiële en sociale ravage, maar ’s lands politieke fundamenten werden niet aangetast. In Europa werden die fundamenten keihard geraakt. Economen als Paul de Grauwe waarschuwden vóór de introductie van de euro in 1999 dat zij niet bestand zou zijn tegen het eerste windvlaagje, omdat de centrale pot geld ontbrak die de munt moest schragen.

Zij waarschuwden ook dat landen in een muntunie hun monetaire autonomie verliezen (ze kunnen niet meer devalueren) en hun economieën extra gedisciplineerd moeten runnen. Dat betekent dat ze zeggenschap moeten krijgen over elkaars begrotingen. Zaken die nu vertrouwd klinken, maar toen gold zulke bemoeienis als overdreven. Zoveel gevoelig soevereiniteitsverlies durfden politici bovendien niet aan de kiezer te verkopen. Het was beter, vonden zij, om rustig aan zo’n politieke unie te werken. Stapje voor stapje.

Europese politici waren niet voorbereid op de klap. In 2008 verschenen de eerste boekwerkjes over tien jaar euro. In EMU@10, van de Europese Commissie, noemde commissaris Joaquín Almunia (Economische en Monetaire Zaken) de munt „een eclatant succes”. Dit was vier maanden voor Lehman onderuitging. De VS zaten middenin de subprime-ellende. UBS, de eerste Europese bank die werd geraakt, was toen al 37 miljard dollar kwijt.

De Fransen wisten in september 2008 nauwelijks wat er in Amerika gebeurde. Michel Pébereau van bank BNP, de machtigste man in de Franse haute finance, sloeg als eerste alarm. Hij lichtte president Sarkozy en ECB-president Trichet in over Amerikaanse reddingsacties van Lehman, die mislukten. Trichet smeekte Washington om Lehman overeind te houden.

Nauwelijks coördinatie

Duitsland, dat na Lehman de halve banksector in de prut zag zakken, komt in dit verhaal niet voor. Bondskanselier Merkel wilde eerst geen banken redden, dus Frankrijk liet haar links liggen. Tussen de twee kernlanden van Europa was nauwelijks coördinatie.

De Amerikaanse overheid bluste het vuur met astronomische bedragen. In Europa was geen centrale autoriteit die dat kon mobiliseren. Europese banken waren kriskras fusies aangegaan, maar overheden waren nationaal gebleven.

Om dit circus te managen – en rekeninghouders te beschermen – zijn transnationale toezichthouders nodig, die zonodig ingrijpen. Er zijn regels nodig voor wie wat krijgt als het misgaat, anders elleboogt het sterkste land andere opzij. Er moeten financiële buffers zijn. Enzovoort. Maar in Europa was niets van dat al. Na Lehman moest het haastig worden opgetuigd. Dit is waarom Europese banken gered moesten worden: anders was het één kluwen vechtende landen geworden. Dat had de EU niet overleefd. De euro evenmin.

Bankiers zijn nu opgejaagd wild. Zij zijn „roekeloos” geweest, waren „graaiers”. Maar dit gebeurde in een context van snelle internationalisering van de financiële sector en gestage deregulering. Een bankier die anoniem wil blijven, herinnert zich: „De minister van Financiën spoorde banken aan Europa in te trekken, de interne markt te laten slagen. ‘Go’, zei hij, ‘go, wij volgen wel met toezicht’.”

Dat gebeurde niet. Banken werden groter en kwetsbaarder. Niemand wist wat daarbinnen gebeurde. De bankier: „De kredietcrisis was een accident waiting to happen. Toen banken omdonderden, was er geen vangnet. Alleen nationale vangnetjes. Ik wil best medeverantwoordelijkheid dragen voor wat er is gebeurd. Maar is dit enkel de schuld van bankiers?”

Intussen hebben regeringen ongeveer alle banken met belastinggeld overeind gehouden. Zo belandde de schuld bij de staten. Sommige zijn hieronder bezweken. Eerst dwongen ze gezonde nationale banken hun spotgoedkope leningen te geven. Die banken zijn nu ook verzwakt. Daarna leenden ze geld bij andere eurolanden. Hiervoor had de muntunie evenmin een draaiboek. Gevolg: ook dit proces verloopt chaotisch en is politiek geladen.

Elke tranche met financiële steun voor Portugal, Griekenland, Ierland en de Spaanse banken komt van nationale begrotingen omdat een Europees vangnet ontbreekt. Elke overboeking wordt geblokkeerd door nationale parlementen, die rigoureuze tegenprestaties eisen. Aanvankelijk hoorden hier ook hoge rentes bij. Toenmalig minister van Financiën Jan Kees de Jager (CDA) zei in de Tweede Kamer dat „we er winst op kunnen maken”.

Omdat Europa in goede tijden de moed niet had om de interne markt en euro van solide politieke fundamenten te voorzien, moet dat alsnog gebeuren. Het alternatief is dat het fragiele bouwwerk instort. Zij zijn daar soms dicht bij geweest. Een Europees politicus ging in augustus 2012 op vakantie, „niet wetend of we in september nog een euro zouden hebben”.

Om Europa’s ontbrekende institutionele fundamenten alsnog te leggen, moeten in elk land harde noten worden gekraakt. In bange tijden hebben mensen de neiging deuren op slot te doen en anderen de schuld te geven van alle misère. Soevereiniteit opgeven gaat recht tegen dat instinct in. De trojka heeft in Athene meer bodyguards dan de Amerikaanse ambassadeur. De politieke elite in Berlijn háát Brussel. Luxemburg vecht met de Londense City een oorlog uit met Franse banken.

Heel Europa klaagt over de groeiende dominantie van Duitsland. Lehman heeft een deel van het Europese beschavingsvernis afgekrabd. „Betekenis en zelfs het doel van het Europese project worden in twijfel getrokken en betwist”, schrijft Tom de Bruijn, oud-ambassadeur van Nederland bij de EU, in een rapport dat woensdag aan Europees president Van Rompuy is overhandigd. Titel: Remaking Europe.

In dit klimaat hebben politici een euronoodfonds opgezet en rigide begrotingscontrole geïntroduceerd. Ze werken aan gemeenschappelijk bankentoezicht en een systeem om bankfaillissementen te voorkomen – inclusief, alsnog, één geldpot. In Nederland en andere landen stemmen parlementariërs daarover met het mes op de keel. Zij, en de burgers, hebben het gevoel dat ze geen keus hebben. Officieel hebben ze democratische rechten, maar wat stellen die nog voor?

Het gaat om rationele ingrepen die alleen verenigbaar zijn met democratie als iedereen volledig is geïnformeerd. Dat kan met bankbalansen en monetaire informatie juist niet, anders krijg je bankruns en verliest de ECB haar onafhankelijkheid. Minister De Jager legde Kamerleden destijds in een besloten zitting uit waarom Griekenland geld nodig had: omdat anders ook Nederlandse pensioenfondsen het schip in zouden gaan. Hij vreesde voor tumult als mensen dat wisten.

„Steeds weer”, verzuchtte de Britse Europarlementariër Andrew Duff onlangs, „besef je hoe makkelijk het was geweest als we alles destijds goed hadden geregeld.” ‘Destijds’ is vóór Lehman, vóór de existentiële crisis waarin Europa sindsdien verkeert. Dat lijkt wel een eeuw geleden.

Dit is de laatste bijdrage van Caroline de Gruyter uit Brussel. Zij is nu correspondent in Wenen.