De crisis die iedereen zag aankomen

Het meest markante aan de financiële crisis van 2008 was niet dat niemand hem zag aankomen, het meest markante was dat iedereen hem zag aankomen. Lees de jaarverslagen van centrale banken erop na, lees analistenrapporten van de banken zelf, lees artikelen uit de media van voor 2008 en je zal verrast zijn over de scherpe analyses van de kwetsbaarheden in het westerse financiële systeem, over het weeë gevoel van ongemak dat je erin proeft. Op covers van tijdschriften en in kranten werd zelfs al gerept van een tikkende kredietbom. Je leest ijzingwekkende beschrijvingen van wat later zou gebeuren.

Natuurlijk stonden daar andere analyses tegenover. ‘Nee joh, geen zorgen, dit is een andere tijd! De financiële sector is nu zo geavanceerd dat de sector risico’s spreidt in plaats van concentreert, zoals gebeurde bij al die eerdere crises!’

Maar er was onmiskenbaar een wijdverbreid gevoel van ongemak. Over een zeepbel op de Amerikaanse huizenmarkt waren al jaren zorgen, over de snel groeiende handel in derivaten en de onderlinge verwevenheid van de financiële sector.

Waarom is de crisis dan niet voorkomen? Waarom deed dan niemand iets? Tja, daar vraag je wat. Voor velen zal het antwoord liggen in menselijke kwalen als hebzucht, lafheid of onkunde. Voor mij is de mens rationeler. Een markt waar de prijzen (van huizen, tulpen of vastgoed) decennialang blijven stijgen, is een bijna niet te negeren feit. Kijk naar de huizenmarkt in Nederland. Wie in de jaren 90 terugkwam uit een ver buitenland, en zich kapot schrok van de vierkantemeterprijs, merkte snel dat met elke maand mokken over de gekte de prijs nog hoger werd. Wie vrolijk meedeed en huizen kocht en verkocht, verdiende echt geld.

In mijn favoriete boek over de crisis, The Big Short, beschrijft de Amerikaanse journalist Michael Lewis dit fenomeen. Lewis werd na de crisis moe van alle goeroes die beweerden de crisis te hebben voorspeld. Lewis ging op zoek naar de mensen die ook hun geld erop hadden gezet. Degenen dus die in de jaren voor 2008 short durfden te gaan op het systeem, die durfden te gokken op een ineenstorting. Hij belandt bij werkelijk schitterende figuren – eigenwijs, tikkeltje autistisch, veelal mensen met een afkeer van groepen en groepsdenken. Zijn boek laat zien hoe moeilijk het is om tegen de stroom in te gaan. Jaren gaan voorbij zonder dat The Big Short geld oplevert. Sterker nog, het kóst veel geld. Zolang de prijzen blijven stijgen, heeft de ‘ziener’ jaar op jaar op jaar (duur) ongelijk.

En de mensen aan de knoppen? Regeringen, centrale banken, waarom deden die niks? Daar kunnen we een hard oordeel over vellen, en zo’n oordeel is waarschijnlijk terecht. Maar als we ons even inleven in de psychologie ervan, dan kun je je voorstellen hoe moeilijk het is de stekker te trekken uit het prijzenfeest. Hoe moeilijk het is om als minister van Financiën te zeggen: ik veroorzaak een val in de huizenprijzen, en ja, lieve mensen, dat is goed voor u.

Als we een nieuwe crisis willen voorkomen, dan vraagt dat iets van ons allemaal, niet alleen van de mensen aan de knoppen. Neemt de hoeveelheid schuld sterk toe en stijgen de (huizen)prijzen erg hard, dan moeten we elkaar en politici veel ongemakkelijke vragen stellen. En dus niet wegzappen als die opgewonden professor op tv voor een crisis komt waarschuwen, omdat we stiekem denken: geen gezeik, iedereen rijk.

Marike Stellinga schrijft op deze plek elke zaterdag over politiek en economie.