Bloemen houden van torren en mieren

Rond de Zuid-Limburgse Bemelerberg lag vijftien jaar geleden nog een vetgemest weiland. Biologen plagden, maaiden en zaaiden. Nu is het een bloemenwei met twintig soorten zeldzame planten.

De Bemelerberg, dit voorjaar. Het natuurgebiedje is een van de laatste originelekalkgraslanden in Zuid-Limburg. Foto Roland Bobbink

De Bemelerberg telt vele bewoners. Dit is het domein van de slanke halmklimmer en zo’n zestig andere loopkeversoorten. Door het fraaie Zuid-Limburgse kalkgrasland hoppen sprinkhanen rond met wonderlijke namen als negertje en schavertje. Biologen vingen en inventariseerden hier zo’n 25.000 mieren. Ze bogen zich over bijen, wantsen, pissebedden, mijten, miljoenpoten en springstaartjes. Ze voerden DNA-onderzoek uit om bodembacteriën op naam te brengen.

Al die sprieterige onopvallende, ongewervelde wezentjes op en onder de grond horen bij een gezond ecosysteem. Ze dragen elk op hun eigen manier bij aan de voedselkringloop: de planteneters breken plantenresten af, de loopkevers eten de wantsen. Hun aanwezigheid is essentieel voor succesvol natuurherstel. Dat blijkt uit het recente rapport Uitbreiding en herstel van Zuid-Limburgse hellingschraallanden. Hellingschraalland is voedselarm grasland op een helling.

Het rapport beschrijft het herstel van de Verlengde Winkelberg, een grasland van 7 hectare op vijf kilometer van Maastricht. Toen Stichting Het Limburgs Landschap het gebiedje in 2000 aankocht, was het een weiland. Tientallen jaren waren er runderen op gehouden en was het als hooiland gebruikt. Het was zwaar bemest.

Maar in vijf jaar heeft de stichting van de Verlengde Winkelberg weer prachtig, soortenrijk hellingschraalland gemaakt – juist door aandacht voor insecten, bodemdieren en zelfs schimmels. „Aandacht voor bodemfauna en bodemchemie is een sleutelfactor voor succesvol natuurherstel”, zegt bioloog Roland Bobbink van het Nijmeegse onderzoekscentrum B-ware in Nijmegen. Er komen nu meer dan twintig plantensoorten van de Rode Lijst voor.

Orchideeën, kleine pimpernel, geurige wilde tijm en marjolein – de Zuid-Limburgse hellinggraslanden zoals de Bemelerberg (die naast de Verlengde Winkelberg ligt) behoren tot de soortenrijkste natuurgebieden in ons land, met gemiddeld veertig soorten hogere planten per vierkante meter, plus vele mossen.

Biologen onderscheiden er twee soorten schraal grasland: het kalkgrasland en het ‘heischraal grasland’. Ze hebben elk een andere grondsoort en zuurgraad, en daardoor heeft elk type zijn eigen plantensoorten. Wat ze gemeen hebben is de bloemenrijkdom, die dagvlinders, inheemse bijensoorten en andere insecten aantrekt. Daar komen rovers op af, zoals spinnen, vroedmeesterpad en geelbuikvuurpad en de bedreigde grauwe klauwier.

Maar schrale graslanden als de Bemelerberg zijn er nauwelijks meer. Bobbink: „Oorspronkelijk zijn de Zuid-Limburgse kalkgraslanden halfnatuurlijke terreinen. Ze werden begraasd met rondtrekkende kuddes mergellandschapen. Na de jaren 20 stierf het beheer met schaapskuddes snel uit. Een deel van die schrale graslanden werd bos, een ander deel werd als veeweide en hooiland in gebruik genomen en sterk bemest. In heel Zuid-Limburg bleef nog maar 20 hectare echt kalkgrasland over.”

Juist vanwege de orchideeënrijkdom zijn de kalkgraslanden Europees beschermd. Daarom heeft Het Limburgs Landschap de laatste decennia veel landbouwgronden aangekocht om er weer kalkgrasland en heischraal grasland van te maken. Bobbink: „Op die landbouwgronden hebben grassen de bijzondere bloemplanten verdrongen, door de bemesting.” De heideschrale graslanden zijn bovendien heel vatbaar voor verzuring.

Natuurbeheerders kochten vooral landbouwgronden die nog aan een overgebleven schraal hellinggrasland grensden – zoals de Verlengde Winkelberg die met de Bemelerberg verbonden is. Bobbink: „Zo willen we kleinere eilandjes verbinden tot grotere. Planten en dieren in kleine natuurgebiedjes lopen veel kans om door toeval lokaal uit te sterven. En de nabijheid van een bestaand natuurgebied maakt het vooral voor niet-vliegende soorten gemakkelijker om terug te keren.”

Bemeste toplaag

Samen met Alterra in Wageningen en Stichting Bargerveen uit Nijmegen onderzoekt B-ware de beste methoden voor natuurherstel op voormalige landbouwgronden in het arme, droge, kalkrijke Zuid-Limburgse heuvelland – op de Verlengde Winkelberg met succes. Het grasland is zo’n 20 tot 40 centimeter diep geplagd en de bemeste toplaag vol fosfaten is afgevoerd. Bobbink: „Ook hebben we maaisel uit een goed ontwikkeld kalkgrasland opgebracht. Dat maaisel zit vol plantenzaden van zeldzame soorten, én insecten.”

De onderzoeksgroep, onder leiding van bioloog Toos van Noordwijk, experimenteerde met nieuwe manieren om maaisel te verzamelen. In hooibalen gaan veel insecten dood. Als het maaisel niet geperst of gedroogd wordt en meteen verspreid, is de overlevingskans van meeliftende insectensoorten zesmaal groter.

In het herstelde kalkgrasland zijn niet alleen zeldzame planten, maar ook een aantal karakteristieke diersoorten teruggekeerd. Sommige konden de plek vliegend bereiken vanaf de Bemelerberg – dat is maar 200 meter. Bij hun inventarisaties ontdekten de biologen een merkwaardig, ondergronds levend, oogloos loopkevertje (Anillus caecus) dat zelfs nieuw bleek voor Nederland. De Verlengde Winkelberg werd dus veel soortenrijker.

Maar, zegt Van Noordwijk: het is nog geen karakteristiek kalkgrasland of hellingschraalland. „We merken dat de insecten die met het maaisel meeliften, vervolgens niet overleven op de kale vlakte. Ze hebben geen schuilplaats en geen voedsel.”

De verwachting is dat enkele jaren na het plaggen, als de plantengroei zich heeft hersteld, opnieuw maaisel moet worden aangebracht. Als het terrein weer begroeid is, komen de insecten in een gespreid bedje. De onderzoekers pleiten voor een mozaïek van begroeide en wat kalere plekken. Bobbink: „Tussen de planten is het koel en vochtig. Maar sommige warmteminnende soorten mieren en loopkevers zitten liever wat warmer en droger. Door het terrein met mergellandschapen te laten begrazen kun je voor die variatie zorgen.”

Ook wordt er geëxperimenteerd met het aanbrengen van ‘goede’ grond. Met het aanbrengen van bodem uit gezonde natuurterreinen kan men onder meer aaltjes en karakteristieke mycorrhizaschimmels op voormalige landbouwgronden introduceren. Bobbink: „Dat lijkt te werken, maar het effect zal pas over een paar jaar goed duidelijk worden. Landbouwgrond heeft een heel ander bodemleven dan natuurgebied, met veel meer bacteriën en nauwelijks schimmels. Dat verschil speelt 30 jaar later nog steeds een grote rol en dan dreigt het natuurherstel te stagneren.” Van Noordwijk: „Door de experimenten weten we nu dat insecten en bodemleven er niet vanzelf komen. En en we kennen de oplossingen: goede grond opbrengen, en maaisel dat voorzichtig behandeld is.”

Opmerkelijk is het lot van de veldparelmoervlinder. Deze zeldzame vlinder was in 2012 bijna van de Bemelerberg verdwenen, waarschijnlijk door de droogte. Maar inmiddels had hij zich in de nieuw ontwikkelde hellinggraslanden gevestigd. Van daaruit nam hij dit jaar de Bemelerberg weer in bezit. Bobbink: „Mooier kun je het nut van grote, aaneengesloten natuurgebieden niet bewijzen. Het Limburgs Landschap was zo blij dat ze in juli begonnen zijn om de aangrenzende landbouwgrond op de helling, bijna 7 hectare, ook te ontgronden en er maaisel uit leggen.”