Aan de crisis hangt een miljardenprijs

De val van Lehman Brothers luidde vijf jaar geleden de financiële crisis in. Hoeveel had de wereldeconomie sindsdien kunnen groeien als de crisis was uitgebleven?

Welkom in de riolering van de wereldeconomie. Er zijn hier gangen met de straatnamen van de wereld bovengronds. Er zijn afslagen, kruispunten en wegwijzers in dit labyrint. Er zijn toevoerkanalen, waar de behoeften van de echte wereld naar beneden sijpelen: kredieten, beleggingsresultaten. En er is, na bewerking, de afvoer van gezuiverd geld naar boven. Brandschoon komt het daar weer uit de kraan.

Net als bij een echte riolering viel de werkelijke omvang van de financiële sector tot vijf jaar geleden de meeste mensen nauwelijks op. Wat zou het. Als hij het maar doet. Totdat het systeem haperde en verstopte. Dat gebeurde al maanden vóór het noodlottige weekeinde in september 2008, toen de Amerikaanse zakenbank Lehman Brothers kapseisde. Maar het was dit faillissement dat de oneindige chaos blootlegde, die jarenlang onder onze voeten had gewoekerd.

Leningen op leningen op leningen, ontdaan van rente en hoofdsom, geruild, weer samengevoegd, in tranches opgedeeld, verhandeld en verzekerd. De fabeldieren uit deze onderwereld: ruilcontracten (swaps). Opties op swaps. In stukjes met verschillend risico opgedeelde effecten met de naam ‘collateralized debt obligations’ (cdo’s). Cdo’s van cdo’s. En synthetische cdo’s die eigenlijk helemaal niet bestonden, maar toch weer wel. Het uitstaande bedrag aan deze ‘financiële derivaten’ was met het duizelingwekkende bedrag van 596.000 miljard dollar inmiddels tien maal zo groot als de omvang van de hele wereldeconomie. Onder de stad was een metropool ontstaan.

Hoe dat kon? De oude wereld van banken en beurzen werd vanaf de jaren tachtig opgeschud door een golf van liberalisering en deregulering. Het kapitalisme verkeerde na het neerhalen van het IJzeren Gordijn in een overwinningsroes, en de onzichtbare hand kreeg vrij spel.

Ook in de financiële sector, die daarnaast twee technische revoluties doormaakte. De toegenomen computerkracht bracht de toepassing van complexe mathematische modellen onder handbereik. En de versnelling in de telecommunicatie knoopte beurzen en banken aan elkaar in een netwerk van razendsnelle en acute handel.

Er wordt wel gezegd dat de porno-industrie de nieuwste technologische toepassingen het snelst in de praktijk brengt. Best mogelijk, maar de financiële sector is dan een goede tweede.

Banken scheppen geld, elke keer als zij een lening aan een klant geven. Maar die leningen bleven nu niet langer op hun balans staan. Zij werden ‘gesecuritiseerd’ en in stukjes doorverkocht aan derden die er handel mee dreven. De vrijgekomen ruimte op de bankbalans werd dan weer gebruikt voor het uitgeven van nieuwe leningen, en het scheppen van méér geld. We waren er zelf bij. De vastgoedhausse, van de Britse eilanden tot de Verenigde Staten, van Spanje tot Nederland, was het resultaat van de moderne en geliberaliseerde kredietverlening, die de mogelijkheid had gekregen om te exploderen – en dat ook deed. Particulieren, bedrijven en beleggers gebruikten de hefboom van het krediet maar al te graag. Om dat huis te kopen, die overname te doen, nóg meer rendement te halen.

Het failliet van Lehman was daarom ook geen gewoon bankroet. Het trok het hele complexe financiële bouwwerk om dat ondergronds was verrezen. En het onttrok het krediet aan de maatschappij daarboven – al was het maar omdat de eindverantwoordelijkheid voor veel leningen nooit écht van de bankbalansen was verdwenen, maar ondergebracht in speciale vehikels die sindsdien terecht de naam ‘schaduwbank’ dragen. Het resultaat was wat een balansrecessie wordt genoemd, de ergste economische neergang sinds de jaren dertig, die in Europa tot overmaat van ramp ook de weeffouten in de euro blootlegde.

Hoe groot is de schade? Dat is onmogelijk vast te stellen. Het beste is wellicht uit te gaan van de gemiste welvaart. Hoeveel had de wereldeconomie, of die van de VS of de eurozone, sinds de val van Lehman kunnen groeien op basis van het gemiddelde van de twintig jaar daarvóór? En wat was de werkelijke groei? Als de crisis een prijskaartje moet hebben, dan is dat het verschil tussen die twee: wereldwijd zo’n 4.500 miljard dollar. De economie van de eurozone zou een zevende groter kunnen zijn geweest dan nu het geval is.

Dat zou reden genoeg moeten zijn om te zorgen dat het nooit een tweede maal kan gebeuren. Er zijn plannen genoeg. De financiële sector wordt, op papier, vergaand aan banden gelegd, met vermogenseisen en een baaierd van regels. Banken zelf beloofden uitgebreid beterschap. Maar waarom tikte de beurswaakhond AFM vorige week de banken op de vingers omdat zij particulieren al weer hoogst speculatieve ‘turbo’s’ verkopen? En waarom zei de voormalige Amerikaanse centrale bankier Alan Blinder deze week dat de Amerikaanse wetgeving dreigt te stranden op het leger van dertienduizend lobbyisten dat de financiële sector ertegen heeft ingezet? Volgens Blinder is de financiële innovatie die ons de ‘synthetische cdo’s’ bracht al weer in volle gang. Het duizelingwekkende bedrag van 596.000 miljard dollar van toen is zelfs opgelopen tot 633.000 miljard nu.

Er zal meer, veel meer moeten gebeuren om herhaling te voorkomen. En het belangrijkste is de overtuiging dat de financiële sector de reële economie moet dienen. En niet andersom.

‘Muppets’ noemden handelaren van Goldman Sachs hun goedgelovige cliënten. Maar de poppenspelers zitten in dit geval niet boven, maar beneden. Onder de grond, in dat labyrint waarin we nog steeds de weg niet kennen. Trek maar een putdeksel open. Het ruikt er nog steeds niet fris.