Zelfs met een tumor versla ik iedereen

‘Ik ben hoogbegaafd. Misschien is dat het?’ De dokter heeft net gemeld dat er ‘iets’ in het hoofd zit van Lente, het titelpersonage van het vijfde boek van Derk Visser. Het is een tumor. De eigenwijze opmerking suggereert dat deze elfjarige een heel ander type is dan de vaderlandse white trash uit de eerdere jeugdromans van Derk Visser. Speelden Patatje oorlog en Prikkeldraad zich af in snackbars en buurtsupers, nu gaat het over ouders met ‘een hoge functie bij het ministerie’.

Maar ieder milieu heeft z’n problemen. Lente kampt met scheidende ouders die ze weer bijeen wil brengen en lijdt ook aan wat je een ziekte van deze tijd kunt noemen: een sterke drang om overal de beste in te zijn, van wie-het-hardst-lacht tot Kinderpostzegels verkopen. Die winnaarsmentaliteit (en het ontwapenende gebrek aan zelfreflectie van al Vissers personages) maken ook dat de ziekte, die niet te bevechten is, in de roman lang op afstand blijft. ‘Zelfs met een tumor in mijn hoofd had ik iedereen verslagen,’ pronkt Lente, als ze de beste Citotoets van de klas maakt.

Lente is niet echt een ziektegeschiedenis. Tekenend daarvoor is een vooruitwijzend zinnetje, halverwege: dat er nog een paar chemo’s zouden volgen, voor de doktoren het zouden opgeven. Het verduidelijkt Vissers bedoeling: het gaat over Lente, over hoe zij met de ziekte omgaat. Maar in de literaire constructie is het zinnetje vreemd (hoe wéét ik-verteller Lente dat?), net als het blijven noemen van actualiteiten als Marlies Dekkers-bh’s. Als satire? Die dingen slaan de roman uit het lood, en maken dat Lente afstandelijker is dan bedoeld lijkt. Want dat het Visser om een innemend verhaal te doen was, blijkt wel uit het mooie, bitterzoete slot, Lentes laatste overwinning.

Thomas de Veen