Walgelijk, decadent Moskou

De Russische Burgeroorlog degenereerde een hele generatie jongeren. Een 'walgelijk' boek schildert dat verval prachtig. In Parijs schreef een andere Rus een ander boek over die oorlog.

1923, Rekruten uit de provincie wachten op inlijving in Moskou Foto Spaarnestad

De Russische Burgeroorlog (1917-1922) was buitengewoon gruwelijk. Families werden wreed uit elkaar gerukt. Soms koos de een voor de Roden, de ander voor de Witten, een ander voor de anarchisten. Plunderingen, verkrachtingen, pogroms en standrechtelijke executies teisterden vijf jaar lang het hele land. Pasternak heeft het in zijn Dokter Zjivago als geen ander beschreven.

Na afloop van die oorlog restte de verliezers vaak niets anders dan ballingschap. Zo’n twee miljoen Russen deelden dit lot. Ze belandden in Constantinopel, Parijs, New York of Belgrado, waar ze hun verdere leven in armoede sleten. Grootvorsten werden taxichauffeur, gravinnen naaisters, generaals fabrieksarbeiders.

Een enkeling koos voor het schrijverschap, met Vladimir Nabokov als bekendste voorbeeld. Niet dat het veel opleverde. Het Russische emigrantenpubliek was klein en had wel iets anders aan zijn hoofd dan romans lezen. Veel van die schrijvers in ballingschap raakten daardoor al spoedig in de vergetelheid. Nabokov was een uitzondering, omdat hij zichzelf na zijn vlucht naar Amerika in 1940 opnieuw uitvond door in het Engels te gaan schrijven.

Dat de onbekendere goden niet minder waren dan hij, bleek begin jaren tachtig, toen de Franse vertaling uitkwam van Roman s kokainom uit 1934 van ene M. Agejev. Sommigen schreven het boek toe aan Nabokov, wat niet zo vreemd was, omdat het in evocerende stijl, thematiek en kille wreedheid sterk deed denken aan diens Berlijnse romans. Maar nadat Nabokovs zoon Dmitri dit vermoeden als onzin had afgedaan, kwam uit dat de Russische Jood Mark Levi, die in 1942 naar de Sovjet-Unie was teruggekeerd, het boek geschreven had. Roman met cocaïne verscheen toen al in het Nederlands, maar is nu opnieuw vertaald. Opnieuw valt de grote kracht op van deze, in Nabokovs woorden, ‘walgelijke’ en ‘decadente’, geschiedenis, die zich afspeelt in het milieu van een groepje Moskouse lyceïsten tegen de achtergrond van WO I en de revolutie van 1917.

Bij Agejev kun je op een ongekende manier de cynische sfeer proeven van het Moskou van die dagen. Het rumoerige straatleven, de discussies onder gymnasiasten over existentiële kwesties, de hoeren in de hoofdstraten, de genadeloze manier waarop verteller Vadim vrouwen met syfilis besmet, het wordt allemaal akelig indringend beschreven.

Vadim probeert zijn leven van een ideologisch kader te voorzien. Als hem dat niet lukt en hij bijvoorbeeld geen seks kan hebben met de oudere vrouw van wie hij echt houdt, omdat hij voor haar slechts ‘zuivere liefde’ voelt en zij uit frustratie daarover met hem breekt, rest hem de coke.

Roman met cocaïne belicht de degeneratie van een hele generatie jonge Russen, die aan hun nihilistische buien ten onder gaan. De Russische revolutie is slechts de katalysator voor hun morele verval. Menselijke waardigheid en menselijkheid maken plaats voor geweld en vernietiging. Agejev vertelt het allemaal op een schitterende, maar gruwelijke manier.

In Gajto Gazdanovs existentiële roman Het fantoom van Alexander Wolf, die in 1947 voor het eerst in het Russisch verscheen, speelt niet de revolutie maar de Burgeroorlog een sleutelrol. Ook dit boek is ineens komen bovendrijven uit de nevelen van de literatuurgeschiedenis en verschijnt nu behalve in een voortreffelijke Nederlandse vertaling, ook in het Duits, Engels, Frans en Hebreeuws.

Net als Agejev was ook Gazdanov (1903-1971) ooggetuige van de wereld die hij beschreef. Zijn leven is op zichzelf al een roman. Op 16-jarige leeftijd meldde hij zich bij het leger van de Witten om tegen de bolsjewieken te strijden. Hij maakte de Burgeroorlog mee, belandde na de overwinning van de Roden uiteindelijk in Parijs om er 25 jaar nachttaxichauffeur te zijn. In die jaren schreef hij romans, die hem in intellectuele Russische emigrantenkringen beroemd maakten. Zo was Nabokov een groot bewonderaar van Gazdanovs roman Een avond bij Claire, die figureert in zijn eigen Pale Fire. Toen na de val van de Sovjet-Unie zijn boeken weer in Rusland konden worden uitgegeven, kreeg Gazdanov postuum alsnog de eer die hem toekwam.

Het fantoom van Alexander Wolf begint min of meer op het slagveld. In Parijs kijkt een man met veel spijt terug op een ‘moord’, die hij als zestienjarige Witte-soldaat heeft begaan. Die moord is eigenlijk niet meer dan het doodschieten, uit zelfverdediging, van een tegenstander te paard tijdens de Burgeroorlog. Minutieus beschrijft hij die gebeurtenis, die hem sindsdien niet meer heeft losgelaten. Niet zo vreemd overigens, want het gevecht vond in absolute verlatenheid plaats, waardoor het van de oorlog een microgebeurtenis heeft gemaakt.

Gazdanov weet in vijf bladzijden de intieme sfeer van dat allesbepalende gevecht neer te zetten. Daarna neemt hij je mee naar Parijs, jaren later. De verteller, die inmiddels zijn geld verdient als journalist, krijgt er een verhalenbundel van ene Alexander Wolf in handen, waarin een reconstructie van dat beladen gevecht tot in detail wordt beschreven, maar dan van de andere kant bezien. De vermoorde cavalerist lijkt dus nog te leven. Zijn ‘moordenaar’ heeft zichzelf al die jaren voor niets gepijnigd.

De verteller gaat nu op zoek naar zijn ‘slachtoffer’ en komt er stapje voor stapje achter wat voor een man hij is: iemand die nog veel gekwelder is dan hijzelf. Net als Vadim in Roman met cocaïne blijkt Wolf een onaangename cynicus te zijn, gedreven door agressie en fatalisme.

In een café voor Russische emigranten leert de verteller Voznesenski kennen, een oudere man die met Wolf in een anarchistische partizanen-eenheid heeft gevochten. Voznesenski kan hem alles over deze levensgenietende vechtjas vertellen en verlost hem daarmee van zijn schuldgevoel.

Bij een bokswedstrijd, die hij voor zijn krant moet verslaan, ontmoet de verteller korte daarna de koele Russin Jelena, die zich aangetrokken voelt tot de onderkant van de maatschappij. Met haar krijgt hij een verhouding. Jelena heeft eerder een minnaar gehad, een gevoelloze man, die getekend is door een bijna-doodervaring in de Burgeroorlog en geleidelijk aan de contouren van Alexander Wolf aanneemt.

Steeds meer merk je nu dat de Burgeroorlog ieders leven in dit boek in negatieve zin heeft bepaald. Niet voor niets laat Gazdanov zijn verteller door verlaten Parijse straten lopen, als een Orpheus op weg naar de onderwereld.

Een voorlopige climax wordt bereikt als de verteller en Wolf elkaar eindelijk ontmoeten. Uit alles wat Wolf hem vertelt, blijkt dat die kogel die hem tijdens hun eerste ontmoeting trof, aan zijn echte leven een einde heeft gemaakt. Alsof sterven na die traumatische gebeurtenis niet meer nodig was. Alles heeft op dat ene moment zijn waarde verloren – het leven, de liefde, de toekomst, de schoonheid.

Toch wil Wolf, die verslaafd is aan morfine, nog een laatste poging doen om weer de zinnelijke mens te worden die hij voor dat ‘fatale’ schot was. En precies dat streven maakt hem op de valreep alsnog weer tot iemand die de tijd wil terugdraaien, zoals zoveel Russen dat na 1917 hebben willen doen. Zijn uiteindelijke, verwachte falen tekent het nihilisme dat ruim twintig jaar na afloop van WOI op een nieuwe catastrofe zou uitlopen. Agejev, Nabokov en Gazdanov hebben dat ondergangsgevoel als weinig anderen genadeloos beschreven.