Van gillende violen en bloed onder de douche

Wat blijft er over van de film Jaws zonder dat enge motiefje? Tandeloze beelden. Wat maakt Fritz Langs Eine Stadt sucht einen Mörder (1931) zo griezelig? Dat die kindermoordenaar-op-jacht nou net Griegs zo gezellige Peer Gynt-muziek fluit.

Voorafgaand aan het eerste concert in de vernieuwde serie AAA van het Concertgebouworkest hield filmregisseur Pieter Kuijpers een inleiding over de macht van filmmuziek. Verrassend was zijn exposé niet, onderhoudend wel. Bovendien stelden zijn voorbeelden, geïllustreerd met filmfragmenten, een deel van het concertpubliek vast op scherp. Muziek kan film maken of breken.

Ruim één uur muziek zonder pauze en een themalezing vooraf; heel in het kort is dat de nieuwe formule van de serie, de avonturentuin van het Concertgebouworkest. Als de eerste keer maatgevend is, kan het KCO gerust zijn. De opkomst voor de lezing was nu al zodanig dat zich vooraf een Efteling-rij vormde voor het Concertgebouw.

In het concertdeel met oude en nieuwe filmmuziek won oud van nieuw. Fons Merkies componeerde een smakelijke mini-score met een exotische toets (cimbaal), maar zijn potente klanken leken meer te passen bij, zegge, een meeslepend onderzeebootdrama dan bij de griezelbeelden uit The Silence of the Lambs . Sterker was Joey Roukens’ pompende achtervolgingsmuziek bij Ronin, rijk aan opzwepende syncopes en op maat passend bij de gierende banden op de film.

Maar niemand kon op tegen de ritmisch gillende violen waarmee componist Bernard Herrmann de douchescène uit Hitchcocks Pscyho onsterfelijk maakte. En ironisch genoeg was het de als filmloos toetje gespeelde muziek bij de De wonderbaarlijke mandarijn van Bartók die de meeste indruk maakte, al was de leiding van dirigent David Robertson eerder adequaat dan memorabel eigen. Goede muziek behoeft geen film, maar omgekeerd ligt dat gecompliceerder.