Stekeblind in het ‘geloof der kameraden’

Theun de Vries was schrijver van historische romans en boegbeeld van de Communistische Partij Nederland. Ondanks zijn kennis van de Stalin-terreur, bleef hij trouw aan het rode vaandel. En ‘vijanden’ kregen ervan langs.

Theun de Vries in 1999 Foto Vincent Mentzel

Theun de Vries is misschien wel Nederlands laatste ‘romantische revolutionair’. Hij past namelijk uitstekend in het rijtje Bakoenin, Herzen, Tsjernysjevski en Jef Last – schrijvers die het liefst op de barricaden hadden willen staan om een betere, rechtvaardigere samenleving af te dwingen. Van barricaden kwam het bij De Vries niet. Ze verschenen hoogstens in zijn literaire werk, dat grotendeels uit historische romans bestaat waarin je altijd wel iets van klassenstrijd of revolutie aantreft.

Wél bezocht De Vries, als boegbeeld van de Communistische Partij Nederland (CPN), die landen in Oost-Europa, Latijns-Amerika en Azië, waar de revolutie had plaatsgevonden. Hij werd er als een held ontvangen en, zoals in de DDR en Tsjechoslowakije, als schrijver gelauwerd en gelezen. Zijn naïeve geloof in een betere wereld en zijn blindheid voor de werkelijkheid werden er alleen maar door versterkt.

Het beeld van die naïeve romantische revolutionair rijst op uit iedere pagina van de voorbeeldige biografie Revolte is een leven. Biografie van Theun de Vries (1907-2005) van historicus Jos Perry, die eerder opviel met zijn levensbeschrijving van de socialistische voorman W.H. Vliegen. Perry laat De Vries zien in al zijn levensstadia en kan bogen op een schat aan informatie. Het literaire werk van de schrijver speelt daarbij geen geringe rol. En juist daarin ligt de gevoeligste schakel in De Vries’ lange, productieve leven. Want zijn romans werden op enkele uitzonderingen na nooit bestsellers, wat komt door de vaak verstikkende overdaad aan historische feiten, die ten koste ging van het literaire gehalte.

De Vries wordt door Perry ook neergezet als een man met een sociaal minderwaardigheidscomplex, dat hem voor het communisme deed kiezen. Zijn vader was een tot zuivelfabrikant opgeklommen boerenzoon, die failliet ging. Zelf zat Theun toen op het gymnasium in Apeldoorn tussen de zonen en dochters van de lokale notabelen. Hij ging er vanaf, toen hij de vierde klas moest overdoen. Daarna koos hij voor een bibliotheekopleiding, die hem in Sneek deed belanden. Daar schreef hij in de jaren dertig, als kersverse bekeerling tot het ‘geloof der kameraden’, zijn eerste romans, waarin sociale strijd een vast gegeven was.

De Vries laat zich al gauw betoveren door de ongekende dynamiek van de Sovjet-Unie, waar een achterlijk land door Stalin omgetoverd wordt in een industriestaat. Maar een echte communist wordt hij pas in 1936 als hij naar Amsterdam verhuist en redacteur wordt van de communistische krant De Tribune. De schrijver die journalist wordt in roerige tijden – romantischer kan bijna niet.

In zijn nieuwe baan voegt De Vries zich geheel in de dogmatische partijcultuur. Perry vraagt zich in dat deel van zijn boek af of hij niet een sektariër aan het worden is. Het antwoord daarop luidt ‘ja’. Een sektariër zal hij tot in de jaren zestig blijven. Hij ontkent de stalinistische showprocessen van 1938 en vindt het noodzakelijk dat tegenstanders van de goede zaak ter dood worden veroordeeld. Ook verdedigt hij het Molotov-Ribbentroppact – het niet-aanvalsverdrag tussen Hitler-Duitsland en de Sovjet-Unie – en schrijft hij ter gelegenheid van Stalins 60ste verjaardag een lofdicht.

Tijdens de bezetting zit De Vries een poosje ondergedoken op de Veluwe. In die tijd levert hij zijn eveneens ondergedoken partijgenoot Gerard van het Reve sr. (Gerard Vanter), de vader van Karel en Gerard, een rotstreek door hem van collaboratie met de Duitsers te beschuldigen. Na de oorlog biedt De Vries de gebroeders Van het Reve zijn excuses hiervoor aan, omdat hij verkeerd geïnformeerd zou zijn geweest. Karel accepteert die excuses, Gerard niet. Perry haalt de beroemde passage aan van de brief van Gerard gericht aan een luchtmachtpredikant waarin hij die vraagt om ‘tegen vergoeding van te maken kosten’ De Vries’ woning in de Jordaan te laten bombarderen: ‘Het is een bovenhuis, dus het is wel preciziewerk.’ Ook noemde Gerard hem sindsdien ‘karpatenkop’.

Na 1945 wordt De Vries’ trouw aan het rode vaandel nog sterker. Stalin is tenslotte degene die Hitler heeft bedwongen. Iedereen die de Sovjetleider durft te kritiseren, krijgt er van langs. Zo sabelt hij in een recensie Arthur Koestlers roman over de Stalinterreur, Darkness at noon, neer en keert hij zich tegen ‘decadente’ schrijvers als Simon Vestdijk en Anna Blaman.

Als hij zich in 1949, na een bezoek aan een grote Poesjkinherdenking in Moskou, ergert aan een kritisch artikel van Karel van het Reve in het linkse maandblad De Vrije Katheder, waarin de jonge slavist zich keert tegen het politiseren van Poesjkin door de Sovjet-Unie, beschuldigt De Vries hem van ‘kwaadaardigheid jegens het Marxisme en de Sowjet-Russen.’ Hij is een diehard geworden. En tegelijkertijd blijkt nu de spagaat waarin De Vries verkeert. Want al is hij zielstrouw aan de partij, steeds duidelijker wordt ook voor hem dat de Sovjet-Unie niet het heilige boontje is waar hij haar zo lang voor heeft gehouden. De definitieve omslag komt na de geheime rede van Sovjetleider Chroesjtsjov op het 20ste partijcongres in 1956, waar de misdaden van Stalin worden onthuld. De Vries kan niet anders dan toegeven dat Koestler gelijk had.

Na het lezen van Solzjenitsyns Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj wordt zijn geloofsafval heftiger. Voor de communistische uitgeverij Pegasus maakt hij een Nederlandse vertaling van dat ontluisterende boek over de Goelag. Het levert hem de woede van het partijbestuur op en vormt het begin van zijn terugtrekking. Uiteindelijk stapt hij in 1971 uit de partij.

Maar het communistische ideaal zegt De Vries niet vaarwel. Hij richt zich op China, waar hij in Mao zijn nieuwe held ontdekt. Hij blijft dus een gelovige, ook in zijn literaire werk, waarin communistische helden fungeren en de toon opbouwend is. Op de CPN zal hij tot aan het opheffen van die partij in 1992 blijven stemmen.

Precies dat verhaal van een trouwe en naïeve gelovige weet Perry heel goed te vertellen. Behalve tot een biografie van een bevlogen schrijver, maakt dat Revolte is een leven tot een portret van een hele generatie, die ondanks haar goede bedoelingen de misdadigste regimes uit de geschiedenis van de mensheid enthousiast heeft gesteund.