Netwerken op een begrafenis, dat kan best

Politici en lobbyisten in Washington doen het af als ‘geroddel’ Maar ze checken wel allemaal of ze er erin staan Mark Leibovich schreef een boek over hoe Amerika’s politieke hoofdstad werkt

Illustratie Thinkstock

Correspondent Verenigde Staten

Het etentje duurde hooguit een uur, en daar viel de onvermijdelijke vraag. Wie heeft Het Boek gelezen? Bijna alle handen gingen omhoog. De locatie: een dinertafel in een huiskamer in Washington DC. De personen: een hoge adviseur van Democratische campagnes, een medewerker van een senator, een milieulobbyist – DC in-crowd.

Je kunt niet in deze biotoop van politici, lobbyisten en het groeiende leger van ‘adviseurs’ wonen zonder This Town van Mark Leibovich te hebben gelezen. Al is het alleen al om te controleren of je er zelf in staat. Leibovich heeft, ongetwijfeld als pesterijtje voor de stad die hij zo genadeloos fileert, een personenregister achterwege gelaten. Ook mijn tafelgenoten moesten tijdens het diner het boek van kaft tot kaft lezen, als kinderen die hun bord moeten leegeten. Niemand aan de dinertafel werd overigens genoemd. Ik proefde lichte teleurstelling.

Iedereen leest het, maar niemand vindt het een goed boek. Weer zo’n typische Washington-conventie waar de stad goed in is. Je hoort te zeggen dat het ‘oneerlijk’ is, dat ‘idealisten worden weggezet als cynische geldwolven’, dat het boek ‘geen inzichten geeft, alleen maar roddels’. A., een opiniepeiler, zei: „Ik snap niet dat iemand zo’n boek schrijft. Dit is toch alleen interessant voor die paar mensen zoals wij? Niemand buiten Washington heeft hier iets aan.”

Een fraai misverstand, dat ik vaak tegenkom in Washington. Mensen hier zonderen zich af van de rest van Amerika, en denken dat het niemand boeit wat er in Washington gebeurt. Ze vergeten dat Washington staat voor verkwisting, zelfverrijking en uitdijende federale macht. Washington is nog nooit zo impopulair geweest, en wie wil scoren, hoeft alleen maar af te geven op de hoofdstad.

De ervaren verslaggever Mark Leibovich (The New York Times Magazine) schreef een boek dat inspeelt op dat sentiment. Hij maakte naam met genadeloze profielen van – vaak minder bekende – figuren uit de media of politiek. This Town is een profiel van een stad die genoeg heeft aan zichzelf. Iedereen wil hetzelfde (opklimmen in de lokale pikorde), en iedereen gebruikt dezelfde methode (netwerken). ‘Relaties’, schrijft Leibovich, ‘zijn in Washington wat computerchips zijn in Silicon Valley (of casino-fiches in Las Vegas)’.

Het Washington van Leibovich is een sinistere plek, waar de inwoners zelfs een begrafenis misbruiken om te netwerken. Hij beschrijft de rouwdienst van NBC-icoon Tim Russert in 2008. Tweeduizend rouwenden proberen de beste plekken te krijgen, zo dicht mogelijk bij de entourage van de Clintons of Obama. MSNBC zond de begrafenis live uit, en het is een buitenkans urenlang in beeld te zijn: ‘het hoofd gebogen, opvallend bijtend op de lippen, loensend om het televisiegenieke effect zo groot mogelijk te laten lijken’.

Wie kent wie

Erbij willen horen, dat drijft Washington. Wie ertoe doet, moet groupies gedogen. En wie meer mensen kent, wordt vanzelf machtiger. Pers, politiek, het lobbycircuit – iedereen werkt eraan mee. En hoewel iedereen zegt dat Washington zo gepolariseerd is, is de stad vriendelijk voor verliezers. Als ‘strateeg’ of ‘consultant’ verdienen gevallen politici vaak meer geld.

Soms is totaal onduidelijk waarom iemand ‘hot’ is. Leibovich besteedt een groot deel van zijn boek aan Mike Allen, bijgenaamd ‘Mikey’, kluizenaar en journalist van Politico, een website voor politieke junkies. Allen staat iedere dag om vijf uur op om zijn gratis nieuwsbrief Playbook te schrijven. Duizenden mensen in Washington, ik ook, krijgen die elke ochtend in de mailbox. Hij vat de kranten samen, rakelt anekdotes op en feliciteert jarige journalisten en totaal onbekende Congresmedewerkers. Allen (200.000 Twitter-volgers), teert op zijn netwerk en reproduceert de nieuwtjes die Washington hem influistert.

This Town is een anekdotisch boek dat fluistert en smoest als de stad zelf. Dat maakt het soms lastiger om te doorgronden waarom in Washington connecties en geld de politieke hoofdstad corrumperen, de centrale boodschap van de auteur. Leibovich geeft een paar oorzaken, zonder ze diep uit te werken.

Washington werd glamour

Volgens hem is Washington drastisch veranderd in de jaren negentig, tijdens acht jaar Clinton. In die tijd drong de popcultuur door in ‘Hollywood for Ugly People’, zoals Washington door haar inwoners wordt genoemd (noot: gebruik in Washington altijd zelfspot!). Clinton bracht schandalen, maar ook glamour en feest. Tegelijkertijd kwam het Grote Geld Washington binnen. Lobbyen in de tijd van Ronald Reagan stelde nog niet veel voor.

In de jaren negentig, schrijft Leibovich, ‘ontdekten bedrijven dat de exorbitante kosten van een lobbyist meer dan opwegen tegen de tientallen miljoenen dollars die het laten afschieten van zelfs maar een klein wetje kan opleveren’. De machtigste lobbyisten zijn vaak oud-regeringsfunctionarissen met eromheen een schil van ‘politieke adviseurs’: spindoctors, pr-strategen en opiniepeilers. Voor veel geld leveren zij advies. Hun marktwaarde stijgt naarmate ze vaker op tv komen.

De journalistiek gaat evenmin vrijuit. Na de verfilming van All the President’s Men (1976) werd de journalistiek een gevierde beroepsgroep. Maar dat leidde niet tot meer onderzoeksjournalistiek, aldus Leibovich. Journalisten zagen zichzelf als deelnemer aan het politieke spel. Het jaarlijkse etentje van de Witte Huis- verslaggevers, waar de president zichzelf bespot, werd de belangrijkste plek om gezien te worden.

Obama werd president door zich met succes af te zetten tegen de elite in Washington. Hij beloofde zich verre te houden van deze wereld van zelffelicitatie. Lobbyisten, kondigde hij aan, waren niet welkom in het Witte Huis. Obama is inderdaad altijd een loner gebleven, schrijft Leibovich. Hij luncht vaak alleen in het Oval Office en bouwt op een kleine kring getrouwen. Tegenover mensen die te dichtbij komen, gedraagt hij zich onuitstaanbaar. Leibovich laat bijvoorbeeld zien hoe Obama zijn Afghanistangezant, Richard Holbrooke, wegpestte. Zelfs op diens begrafenis in 2010 wilde Obama niets aardigs zeggen. Maar de lobbyisten bleven komen. Onder Obama steeg het aantal lobbyfirma’s explosief, meestal onder pseudoniemen als ‘strategische communicatie’. Werk was er genoeg. Obama wilde een nieuw zorgstelsel invoeren, en het bewerken van regeringsmedewerkers werd zeer lucratief.

Jaarlijks geven lobbybedrijven nu 3,5 miljard dollar uit, aan een steeds groter wordende groep lobbyisten, maar ook aan lunches met Congresleden, grote kantoren en glimmende pr-folders. Terwijl hij zich ervan distantieerde, stimuleerde Obama onbedoeld de politieke industrie. Dit thema zou veel dieper moeten worden uitgezocht. Mark Leibovich beschrijft excessen, maar blijft in gebreke als je harde feiten en cijfers wilt weten. Het is een boek dat aanvoelt als het geanimeerde diner dat te laat afliep. Je hoofd duizelt van de fantastische anekdotes, maar het lukt je niet echt de grote lijn te reconstrueren.