Met die pillenstrip gaat het vroeg of laat mis

Wanneer je moeder je moeder niet meer is, dan verwoord je dat als volgt: ‘Ik ben haar bij haar voornaam gaan noemen.’ Erik Lindner (1968), die eerder poëzie en essayistiek publiceerde, legt het een naamloze Nederlandse jongen van een jaar of viertien in de mond op een van de eerste pagina’s van zijn roman Naar Whitebridge. De jongen maakt een treinreis door een winters Groot-Brittannië, hij gaat op bezoek bij zijn moeder die zich met een man heeft teruggetrokken op een Schots landgoed. De vrouw houdt zich staande op het terrein, dat is het goede woord, zoals je vermoedt dat ze zich gedurende haar leven overal staande moet hebben gehouden. Eigenlijk wordt haar aanwezigheid gedoogd: de graaf die eigenaar is van het landgoed, is kan haar ieder moment wegsturen.

Alhoewel de jongen het hele boek het woord zal blijven voeren, gaat de aandacht van de lezer steeds meer uit naar de moeder. Dit wordt deels veroorzaakt door het feit dat de vrouw wordt geportretteerd als een wandelende tijdbom. Ze is manisch-depressief en moet op gezette tijden een pil hebben, anders dreigt ze te ontsporen. De pillenstrip, die door haar zoon goed in de gaten moet worden gehouden, functioneert hierdoor als het pistool van Tsjechov: ooit zal de vrouw haar medicijninname verwaarlozen en begint de ellende.

Maar dat je aandacht naar een bijfiguur als de moeder uitgaat komt ook doordat haar zoon een beetje een dooie diender is. Zijn mededeelzaamheid beperkt zich voornamelijk tot vaststellingen, wat nogal zouteloze lappen proza oplevert. Op een bootje: ‘Ik heb met deze boot nog niet gevaren. Ik duw de hendel omhoog zodat we vaart maken. Zodra ik het monument zie, vaar ik het Loch over. De boot glijdt tussen de planten.’ Lindners toon brengt de toon van een schrijver als Robbert Welagen in gedachten, met dat verschil dat het in het kielzog van diens bootjes wél ruist.

Een dokter legt aan de jongen uit dat depressiviteit zich dankzij een zogenaamde ‘kruiselingse bestuiving’ ook bij hem kan openbaren. Depressiviteit vanuit de genen verklaard dus. Even voor het doktersgesprek heeft de jongen overigens heel andere gedachten over de ziekte. ‘Soms denk ik dat de ziekte van mijn moeder niet te maken heeft met een gebrek, maar een overschot, een overschot aan verhalen. Misschien is het helemaal geen ziekte maar een gesteldheid.’ Ziet hij zijn moeder als een hysterica en uit hij zich daarom zo terughoudend?

Ga weg van het landgoed, luidt het advies van de dokter. ‘Get out as quick as you can. Go get al life.’ Maar de jongen wil niet weg, zo blijkt. De zwerftochten door de Schotse natuur, de meren, de hond, het is hem allemaal goed bevallen. ‘Ik ben niet van hier maar ik ben hier zo thuis.’ Dat zo’n onschuldig zinnetje overkomt als een donderslag bij heldere hemel illustreert hoe weinig verdichting er de voorgaande 200 pagina’s tussen lezer en personage heeft plaatsgevonden.

Sebastiaan Kort