Kon de mens maar even een olifant zijn

Virginia Morell reisde langs wetenschappers die onderzoek doen naar dierlijke intelligentie. Ze schreef er een boek over dat je het gevoel geeft dat je zelf aanwezig bent bij de experimenten.

Ayumu, de wonderchimpansee van een onderzoekinstituut in Kyoto, heeft een onovertroffen fotografisch geheugen. Hij kan niet alleen de cijfers 1 tot en met 9 in de juiste volgorde zetten, maar hij kan ook de plaats op het scherm onthouden waar ze heel even (210 milliseconden) geprojecteerd worden voordat witte blokjes ze bedekken. Feilloos tikt Ayumu met zijn wijsvinger de blokjes aan in de volgorde van oplopende getallen. Filmpjes van Ayumu zijn YouTube-hits. Volgens primatoloog Tetsura Matsuzawa is het duidelijk dat hier de mensaap de mens overtreft. Een feilloos fotografisch geheugen is volgens de Japanner van levensbelang voor wilde chimpansees en zit daarom ingebakken in het wezen van het dier.

Chimpansee Ayumu maakt deel uit van een hele serie bekende ‘filosofen’ van de dierenwereld langs wie Virginia Morell de lezer voert in Hoe dieren denken. Als freelance verslaggever voor Science en National Geographic kreeg de Amerikaanse de kans om over de hele wereld de onderzoekers van deze dieren te raadplegen. In Kenia belandde ze bij onderzoekers van Afrikaanse olifanten, in Australië bezocht ze wetenschappers die wilde dolfijnen observeren en in Hongarije kwam ze bij biologen terecht die zich hebben toegelegd op de intelligentie van de hond.

Morell ontmoette ook Alex, de beroemde grijze roodstaart papegaai van de Amerikaanse onderzoekster Irene Pepperberg. Alex kon niet alleen praten maar ook grammaticaal logische zinnen vormen en begrijpen. Hij kon tellen en begrippen als ‘hetzelfde’ en ‘verschillend’ hanteren. En deze superieure papegaai kleineerde voortdurend de andere papegaaien die Pepperberg wilde trainen. ‘Talk clearly!’, schreeuwde hij ze toe als hun uitspraak hem niet beviel.

Voor de kenner brengt Morell niet veel nieuws. De meeste wetenschappelijke inzichten in diercognitie die zij presenteert zijn al enkele jaren oud. Maar Morells rondgang in dit veld, is toch boeiend omdat ze de tijd neemt om de onderzoekers en hun experimenten te beschrijven. De lezer krijgt zo het gevoel er zelf bij te zijn.

Tussendoor schetst Morell hoe de ontwikkeling van het vakgebied van de diercognitie decennialang niet veel vooruit kwam vanwege het taboe op antropomorfisme. Onderzoekers gingen ervan uit dat dieren niet zo’n zelfbewustzijn als de mens hadden en dat het daarom niet wetenschappelijk was om in dierlijk gedrag emoties als boosheid, plezier en angst te onderscheiden. Dieren beredeneerden hun reacties niet, maar volgden hun instinct, zo luidde het dogma.

Kenmerkend is de anekdote dat een redacteur van Nature in de jaren zestig in het manuscript van chimpansee-onderzoekster Jane Goodall over gereedschapgebruik onder wilde chimpansees alle he’s en she’s die zij in het artikel had gebruikt als verwijzing naar de apen die zij beschreef, had veranderd in onzijdige its.

Daarin is de laatste jaren flink verandering gekomen. Bijvoorbeeld door het onderzoek van de Nederlandse primatoloog Frans de Waal. Dat begon met de ontdekking dat mannelijke chimpansees coalities vormen om hun machtspositie in de kolonie te waarborgen. De dieren hadden onmiskenbaar strategisch inzicht. Vooral soorten die in ingewikkelde sociale verbanden leven, blijken over geavanceerde hersencapaciteiten te beschikken om zich daarin te kunnen handhaven.

Toch heeft de ethologie nog steeds ‘last’ van het menselijke perspectief. Het grote probleem is dat dierlijke intelligentie altijd langs de menselijke meetlat wordt gelegd. Ook de onderzoekers die in Morells boek aan het woord komen maken zich daar schuldig aan. Op die manier kom je al gauw op menselijke kenmerken van intelligentie: zelfbewustzijn, taal, rekenen, empathie, gereedschapgebruik. Maar wat nu als de dierlijke intelligentie zich in heel andere richtingen uitstrekt? Heel af en toe scheert Morell even langs deze belangrijke kwestie, maar helaas gaat ze er zelden dieper op in.

In de epiloog legt Morell uit dat zij er bewust voor heeft gekozen om de vraag in hoeverre de menselijke intelligentie verschilt van het verstand van andere dieren, links te laten liggen. Maar dat is een groot gemis, want juist Morell zou nu een overkoepelende theorie kunnen formuleren omdat zij met zoveel verschillende gedragswetenschappers sprak, onderzoekers die elkaar waarschijnlijk nooit ontmoeten.

Evolutie is conservatief en het zou dus niet verwonderlijk zijn als de intelligentie van mensen en andere dieren is gebouwd op dezelfde fundamenten, schrijft Morell. Maar diergedrag dat sterk op menselijk gedrag lijkt, hoeft niet dezelfde intentie of motivatie te hebben. Met uitzondering van sommige huisdieren is de meeste dierlijke communicatie niet gericht op de mens. Het dier doet van nature geen enkele moeite om door ons begrepen te worden.

Sommige wetenschappers die Morell sprak zijn zich wel bewust van dat perspectiefprobleem, waarbij de mens met zijn eigen kenmerkende waarnemingsvermogens en verwachtingen het gedrag van een andere soort onafhankelijk probeert te interpreteren.

Karen McComb die het gedrag van wilde Afrikaanse olifanten in Kenia bestudeert, verzucht dat ze wel voor één dag een olifant zou willen zijn, om erachter te komen hoe het echt is om zo’n dier te zijn. ‘Het lastigst is dat een groot deel van hun sociale gedrag en hun hechte familiebanden ons aan onszelf doet denken’, zegt McComb. ‘Het is dan ook het gemakkelijkst om te doen alsof het mensen zijn, om aan te nemen dat zij denken als wij.’

McComb ontdekte ondermeer dat olifanten meer belangstelling hebben voor schedels en botten van hun eigen soort, dan voor beenderen van andere dieren. Diverse keren hebben veldonderzoekers waargenomen dat olifanten terugkeren naar de plek waar een familielid is overleden. Ze houden dan de wacht bij de stoffelijke resten. Maar of ze echt rouwen, dat durft McComb niet te beweren.

De vraag is niet of dieren denken, maar wat zij denken. En dat blijft nog grotendeels ongrijpbaar.

Het boek is helaas armoedig vertaald. Dat leidt tot een houterige stijl en storende fouten. Het IWC wordt zo de Walviscommissie in plaats van de Walvisvaartcommissie, blue monkeys heten in het Nederlands geen blauwapen, maar (diadeem-) meerkatten, en een aquacultuur is geen watercultuur maar een viskwekerij. De oorspronkelijke titel van het boek Animal Wise, was trouwens beter dan de Nederlandse variant Hoe dieren denken. Op die vraag krijgt de lezer immers geen antwoord.