Kledingbranche maakt geen haast met compensatie slachtoffers Bangladesh

Kledingbedrijf Primark en C&A betalen een schadevergoeding aan de slachtoffers van rampen in Bengaalse textielfabrieken. Grote bedrijven doen niet mee.

Een groep internationale kledingbedrijven is er gisteren niet in geslaagd overeenstemming te bereiken over compensatie voor de slachtoffers van twee grote recente rampen in textielfabrieken in Bangladesh.

Elf bedrijven waren naar een door de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) in Genève voorgezeten bijeenkomst gekomen, waaronder Primark, C&A, Bon Marché en Store Twenty One. Dat was maar een derde deel van de internationale bedrijven die kleding hadden laten maken in de twee getroffen fabrieken.

Bij de ramp in Rana Plaza, even buiten de Bengaalse hoofdstad Dhaka, kwamen in april van dit jaar 1129 mensen om het leven. Daarmee was het een van de ergste industriële ongelukken uit de geschiedenis. Bij een brand in een fabriek in Tazreen, ook in de buurt van Dhaka, kwamen in november 2012 112 mensen om het leven.

Bedrijven hebben op individuele basis al al enige compensatie betaald maar dit is volgens velen in Bangladesh en daarbuiten onvoldoende. Hoewel het om een vergadering achter gesloten deuren ging, werd duidelijk dat de bedrijven nog weinig haast maken met bijdragen aan een compensatiefonds van 54 miljoen euro voor de slachtoffers van het ingestorte fabrieksgebouw in Rana Plaza.

Zo'n fonds is voorgesteld door IndustriALL, een internationaal verbond van vakverenigingen. Voor de slachtoffers van de brand in de Tazreen-fabriek, zou ongeveer vijf miljoen euro bijeen moeten worden gebracht. De kledingbranche zou 45 procent van deze bedragen voor haar rekening moeten nemen.

„De families en de gewonden hebben al lang genoeg gewacht", verklaarde Monika Kemperle van IndustriALL al voor de mislukte bijeenkomst van gisteren en eergisteren in Genève.

Slechts twee bedrijven toonden zich volgens ingewijden in Genève al bereid met concrete hulp te komen: het Ierse Primark en C&A. (BBC, AFP)