Hoe overleef je het naoorlogse Ljubljana

In het slotdeel van zijn trilogie vertelt de Sloveen Lojze Kovacic hoe zijn land een ‘provincie’ op marxistisch-leninistisch-stalinistische grondslag wordt. En hij een onruststoker vol fatalistische overpeinzingen.

Lojze Kovacic

De eerste twee delen van de autobiografische trilogie De nieuwkomers van de Sloveense schrijver Lojze Kovacic (1928-2004) waren een grote verrassing. Hoe zit het met het slotdeel?

Het begint met de feestvreugde in Ljubljana na de bevrijding in 1945. Voor Lojze valt er echter niets te vieren, want gedwongen door armoede hebben zijn Duits sprekende ouders oppervlakkig met de bezetter gesympathiseerd, en nu nadert het uur der wrake.

Zijn moeder, zus en nichtje worden als ongewenste vreemdelingen uitgezet (zijn vader is kort daarvoor gestorven), maar Lojze wordt de kans geboden in de Volksrepubliek Joegoslavië te blijven – een privilege dat hij dankt aan het feit dat hij onlangs bevriend is geraakt met de zoon van de kersverse staatspresident.

Zijn zus overreedt hem te blijven, opdat hij de president kan bewegen de uitzetting ongedaan te maken, maar die opzet mislukt, en daarna is Lojze afgesneden van zijn dierbaren, die met onbekende bestemming op transport zijn gesteld.

Veertig jaar later beschrijft Kovacic hoe hij als 16-jarige moederziel alleen en zonder geld moest zien te overleven in het na-oorlogse Ljubljana. Het terugblikken leidt tot fatalistische overpeinzingen: ‘Als je denkt dat je in dit leven iets te zoeken hebt, kun je bedrogen uitkomen... soms denk je dat je gewoon een slechte dag hebt, dat je op het verkeerde moment op de verkeerde plek bent of dat het je eigen schuld is... maar dan besef je weer dat het voor je hele leven geldt...’ Dit slotdeel maakt inzichtelijk hoe bliksemsnel een maatschappelijke omwenteling zich kan voltrekken, om een natie voor decennia te verstarren. Alles is op slag anders. De partizanen verruilen de bossen voor de burelen van de nieuwe staat, het is nu de voormalige gevestigde orde die wordt opgejaagd. ‘Kameraad’ is de nieuwe aanspreekvorm. ‘Ergens lag het grote Rusland, weids en onafzienbaar, een land dat ons een gevoel van macht en vertrouwen gaf, en wij waren daarvan een bloeiende provincie...’

Onthutsend is de eerste schooldag na de bevrijding. De nieuwe directeur, die geen directeur maar afgevaardigde heet en een uniform draagt, houdt een toespraak. ‘Ook al waren we in de eerste plaats een land van arbeiders, toch zou er ook voor alle hoger opgeleiden die zich fatsoenlijk gedroegen en zich nuttig wensten te maken een plaats in onze samenleving zijn.’

Intellectuelen die voor hun eigen fouten uitkomen, de erfenis van de uitbuitende klasse waartoe ze behoren afzweren, al hun vrije tijd besteden aan arbeidsacties ten behoeve van de wederopbouw en aan hun eigen ideologische vorming op marxistisch-leninistisch-stalinistische grondslag – die intellectuelen hoeven zich niet te schamen voor het feit dat ze op het gymnasium of de universiteit zaten, zegt de afgevaardigde. ‘Er klonk een donderend applaus, vermengd met kreten en gescandeerde leuzen.’

De positie die Lojze in de nieuwe orde inneemt is netelig. Zijn ouders waren straatarm en behoorden dus tot het proletariaat. Dat is een voordeel, maar het weegt bij lange na niet op tegen de verkeerde keuze die ze tijdens de Duitse bezetting hebben gemaakt. Zijn besmette verleden blijft Lojze de rest van zijn leven parten spelen; in welke omgeving hij zich ook bevindt, altijd is er de angst voor openbaarmaking van zijn geheim, en die angst blijkt geregeld gegrond.

Het moet gezegd dat hij daarnaast ook niet over de ware revolutionaire geest beschikt. Wanneer hij zich als lid van een arbeidsbrigade moet afbeulen voelt hij zich een kuddedier, en hij is nieuwsgierig naar Proust en Joyce en andere kapitalistische schrijvers. Vanwege zijn negatieve, kleinburgerlijke instelling wordt zijn schoolopleiding niet langer gefinancierd, wat betekent dat hij ook de kost en inwoning van het internaat verliest. Met zijn onmiskenbare literaire talent kan hij aan de slag als redacteur bij een tijdschrift van de jeugdbeweging. Hij wordt naar afgelegen gebieden gestuurd, waar hij gloedvolle reportages over de vorderingen in de zware industrie, de chemische sector of de mijnbouw moet fabriceren, maar het lukt hem niet met pure propaganda op de proppen te komen.

Opnieuw is hij een onruststoker: ‘Zo schrijven ze in de westerse, burgerlijke kranten en omdat jij ook een beetje zo bent, ligt dat je natuurlijk wel... Maar dit soort inhoudsloos geschrijf kunnen we niet publiceren...’ Hij verliest zijn baan en wacht op zijn oproep voor militaire dienst. Aan het eind van het boek reist hij naar zijn divisie af met de ongefundeerde hoop dat het leven in het leger beter zal zijn.

Kovacic is een fascinerende stilist. Vooral zijn jeugdige gehannes met vrouwen levert beschrijvingen op die platvloers, poëtisch en humoristisch tegelijk zijn. Toch is dit deel iets minder geslaagd dan de voorgaande twee. De drie puntjes... waarvan Kovacic excessief gebruikmaakt... hebben een kinderlijk effect, ze passen goed bij de grote ogen waarmee een kind naar de wereld kijkt, maar minder bij het perspectief van een adolescent... zodat ze ten slotte vooral een trucje lijken...

Verder bevat dit deel, het omvangrijkste van de trilogie, overtollige informatie over plaatsen en personen; hier wreekt zich dat Kovacic geen strak gecomponeerde roman maar een autobiografie heeft willen schrijven. Overigens is Kovacic’ vrijheid om ‘het op te schrijven zoals het gebeurd is’ hem volkomen gegund, als je bedenkt dat zijn verhalen in de schoolkrant al gecensureerd werden.