Geloven gaat van au

Een kind verliezen, overspel, God. Vonne van der Meer schudt in haar elfde roman een kleinburgerlijke idylle eens goed door elkaar.

illustratie Paul van der Steen

‘Wat ik mis in de literatuur van mijn tijd’, zei Vonne van der Meer deze lente in een lezing voor de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam, ‘ is dat het zo zelden over geloof gaat […] Wat helemaal niet in kaart wordt gebracht, is de plek die ik hier kortweg met geloof aanduidt: het verlangen ernaar, de rol van gebed, de behoefte aan ritueel, de geloofservaring, de crisis in iemand geloofsleven.’ Van der Meers gemis was een gat waar haar nieuwe roman, nu die eenmaal bestaat, mooi in past.

Het smalle pad van de liefde is de tiende roman van Van der Meer (1952). Ze is het type auteur dat geen slechte boeken kan schrijven, maar dat juist daardoor altijd een beetje onderschat lijkt te worden. In die zin is ze een spiegelbeeldige Herman Brusselmans: bij hem ontnemen de grappen en grollen het zicht op de literaire zeggingskracht van zijn werk, bij Van der Meer is het andersom. Zij wordt zo ernstig genomen dat de kracht en scherpte van haar verhalen en de meerduidigheid van haar moraal vaak over het hoofd worden gezien – en dan is ze nog katholiek ook!

Van der Meers nieuwe roman vertelt het verhaal van twee bevriende echtparen: May en Pieter Akkerman brengen de zomervakantie al jaren door bij Floris en Françoise, een Frans-Nederlands echtpaar dat Holland verruilde voor de Auvergne na de dood van hun jongste, tien maanden oude kind. De scène waarin de kleine Björn omkomt is onsentimenteel, pijnlijk en meesterlijk. Zonder de details te verraden: Van der Meer componeert een situatie waarin beide ouders evenveel eigen redenen hebben om zich schuldig te voelen aan de dood van het kind – terwijl de onzichtbare hand van het noodlot óók een grote rol heeft. Pas in de jaren na de dood van het jongetje is de dubbelvriendschap tussen beide paren ontstaan – misschien kunnen de paren wel zo goed overweg omdat ze die grote ramp niet als vrienden hebben meegemaakt. Inmiddels is er ook bij de wederzijdse kinderen, zo tussen de tien en veertien jaar, sprake van allerhande vriendschappen en puberliefdes.

Een kleinburgerlijke idylle, die erom vraagt goed door elkaar geschud te worden en dat doet Van der Meer. Want geloof mag bij Van der Meer veel met compassie van doen hebben – ook in de betekenis van gedeelde passie – zij is schrijfster en geen predikante: zonder pardon laat zij haar hoofdpersonen zich in de nesten werken. Dat doet ze op kalme, alledaagse wijze: bij het ene echtpaar wordt eens een besteklade te hard dichtgeslagen, de vrouw van het andere paar, May, ‘met billen waar mannen in het café net te vaak hun handen op legden’, zit wat lang in haar nachthemd in de vensterbank van de keuken – met alleen Floris, de man van de ander, erbij.

Van der Meer schrijft alles op alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Er komt liefde van en van die liefde komt ellende. Een beetje voorspelbaar is het overspel wel, al ironiseert Van der Meer haar plotwendingen door af en toe een alwetende verteller – diens aanwezigheid is in een roman over religie ook niet helemaal betekenisloos – nadrukkelijk aan het woord te laten. Bijvoorbeeld wanneer ze de twee bedrogenen ook een moment op een andere manier naar elkaar laat kijken en dan schrijft: ‘Dit verhaal had die dag een heel andere wending kunnen nemen, een evenwichtiger verhaal kunnen worden over buitenechtelijke liefde.’

Evenwichtig wordt het niet: de twee ontrouwen storten zich in twee weken geluk. Van der Meer beschrijft subtiel het halfbewuste wantrouwen van de bedrogenen en roept dan natuurkrachten te hulp om aan het overspel een einde te maken, waarna alles even natuurlijk tot een einde komt.

In dat deel van het verhaal komt de religie geleidelijk naar voren: een van de jongste meisjes heeft besloten een kapel te bouwen voor haar jonggestorven broertje en haar oudgestorven oma – tegen de areligieuze weerstand van de rest van de andere aanwezigen in. Wanneer de kapel gereed is en er kaarsen voor de doden gebrand moeten worden, blijkt dat eigenlijk niemand een tekst tot zijn beschikking heeft: de gebeden van de vaderen zijn vergeten. Uiteindelijk wordt het kind herdacht met een liedtekst van Eric Clapton.

Dat de verhouding tussen rouw en religie allerlei gestalten aan kan nemen, blijkt ook uit de onlangs verschenen autobiografische roman Donderdagmiddagdochter van Stevo Akkerman – de overeenkomst in achternaam met een van de echtparen uit Het smalle pad van de liefde zal toeval zijn. In Akkermans roman sterft het kind van de verteller vlak na de geboorte, waarbij het onvermijdelijke zelfverwijt van de ouders religieuze vormen aanneemt – en ook hier de saamhorigheid ondermijnt. De uitgangspositie in de persoonlijke en pijnlijke roman van Akkerman is echter anders: hij schrijft over een milieu waarin het geloof van eerdere generaties tot de basisuitrusting van de mens behoort, terwijl het geloof bij Van der Meer iets is wat gezocht, wat veroverd moet worden.

Dat geldt vooral voor May, die als ze na de zomervakantie met haar gezin terug in Nederland is, tot haar eigen verbazing op zoek gaat naar iets als een gebed. Ze raakt bevriend met Heleen, een non die ze op haar werk heeft leren kennen. May’s verlangen naar religiositeit – wat zij gelooft, blijft in het midden – hangt natuurlijkerwijs samen met de rouw om de onmogelijkheid van haar buitenechtelijke liefde.

De liefde voor God komt uiteindelijk met horten en stoten tot May. Niet alleen scheppen gaat hier van au, geloven ook. Aan het eind van Het smalle pad van de liefde blijkt geloof in hoge mate verbonden met gezamenlijkheid, een gedachte die Van der Meer ook in haar roman Take 7 uitwerkte: op de beste momenten levert geloof brandstof voor gezamenlijkheid.

Het einde van de roman is niet het sterkste, zowel in de geest van May als in het verhaal wordt net wat veel opgelost. Van der Meer is niet het type schrijver om een loshangend draadje in haar verhaal te laten bungelen, maar ze heeft Het smalle pad van de liefde net iets te veel afgehecht. Want juist in het halfverborgene zitten de grootste schatten van deze roman. Bijvoorbeeld in de wijze waarop Floris zijn verdriet om de verloren affaire verwerkt. Eigenlijk geeft Van der Meer daar al iets te veel informatie, maar op de achtergrond zie je ook hem een religieuze queeste ondernemen waarin zijn gestorven kind, zijn verloren liefde en zijn levende dochter samenkomen. Bij Floris komt er God noch gebed aan te pas, maar Van der Meer laat helder zien dat het wat haar betreft toch hetzelfde is. Uiteindelijk draait het in de religie – net als in de kunst – om zelf iets te maken bij het gemis dat men ervaart: of dat nu een gebed is, een gemeenschap of een kerk. Of een roman natuurlijk.

Stevo Akkerman: Donderdagmiddagdochter. Nieuw Amsterdam, 160 blz. € 16,95