Een innovatieve, grafische durfal

Hieronymus Cock en zijn vrouw gaven in 16de-eeuws Antwerpen vernieuwende prenten uit. Geen bijbelse taferelen, maar landschappen waarin niets gebeurde.

Pieter van der Heyden naar Pieter Bruegel de Oude: ‘De grote vissen eten de kleine’ (fragment) Uit ‘Hieronymus Cock’

In de deuropening van zijn winkel in het hart van Antwerpen staat de man om wie dit boek draait: Hieronymus Cock, schilder, prentmaker, en vooral ondernemer, oprichter van het succesvolle uitgevershuis ‘In de vier winden’.

Ook Cocks vrouw, Volcxken Diericx, is afgebeeld. Zij staat in de winkel waar nog net wat stapels prenten zichtbaar zijn. De afbeelding is een gravure uit een reeks van twintig fantasievolle architectuurprenten. Het is zowel een staaltje ontwerp- en graveerkunst als een voorbeeld van vroeg moderne reclame.

Cocks bedrijf behoort tot de gerenommeerde uitgevershuizen waar ook de veel bekendere firma’s Plantijn, Blaeu en Elsevier toe gerekend moeten worden. In 1548 richtte Cock met zijn vrouw hun bedrijf op dat voor die tijd van grote ondernemingszin getuigde. Zij richtten zich niet op boeken en ook niet op de goedkopere gebruiksgrafiek, zij specialiseerden zich in het uitgeven van hoogwaardige etsen en gravures van de beste Italiaanse en Nederlandse kunstenaars.

De kosmopolitische haven- en handelsstad Antwerpen leende zich uitstekend voor zo’n onderneming. Kunstenaars trokken er heen, nieuws werd hier snel opgevangen en verspreid, en de nieuwste cartografische ontdekkingen konden hier direct worden verwerkt in boeken en kaarten.

Aan dit uitgevershuis is een indrukwekkende tentoonstelling gewijd – met ruim honderd prenten van de hoogste kwaliteit – die al in Leuven te zien was en die van 18 september tot 15 december wordt herhaald in het Institut Néerlandais (in samenwerking met de Fondation Custodia) in Parijs. Ter gelegenheid hiervan verscheen een voortreffelijk verzorgd boek met uitstekende teksten en reproducties.

De aandacht in dit boek gaat vooral uit naar het innovatieve, bedrijfsmatige karakter van ‘De vier winden’. Dat uitte zich in de grote gevarieerdheid van het fonds, in de keuze voor de beste tekenaars en plaatsnijders, in een optimaal drukproces en in de intelligente marketing en distributie in heel Europa. Het bedrijf werd na de dood van Cock in 1570 met groot succes nog dertig jaar voortgezet door zijn vrouw.

Cock gaf de bezoekers van zijn winkel al een voorproefje van wat ze bij hem konden aantreffen. In de voorhal hingen wandkaarten van Duitsland, Amerika en Spanje. In de winkel kon men een keus maken uit vele andere kaarten, uit portretten en uit een grote variatie van prenten met bijbelse, mythologische en historische voorstellingen, vaak in de drukke, woelige gemaniëreerde stijl van de tweede helft van de 16de eeuw.

Cock en zijn vrouw produceerden veel prenten die de restanten van het oude Rome voorstelden; de pas ontdekte en soms al uitgegraven ruïnes fascineerden de 16de-eeuwer. Cock heeft ook veel ornament- en architectuurprenten uitgegeven – voorbeelden voor siersmeden en architecten.

Zeer gewild waren daarnaast de prenten die gebaseerd waren op schilderijen of tekeningen van Jeroen Bosch en diens navolgers en vooral van Pieter Bruegel de Oude. Zo betreden we de hallucinerende wereld van schreeuwende padden, kakelende gedrochten, voortkruipende eieren en dwergen die half vis en half twee-potige aap zijn. Dat alles geplaatst in een wereld van meloenachtige UFO’s, draken die hele volkeren verslinden en uilen getooid met een bijenkorf. Wie als 16de-eeuws kind deze door hun precisie zo overtuigend werkende gruwelprenten boven zijn bedje had hangen zou nooit meer rustig slapen.

Cock leverde niet alleen voedsel voor fantasie en nachtmerries. Tot zijn vernieuwende thematiek moeten we ook de landschappen rekenen. Die maakten een groot deel uit van zijn assortiment. Karel van Mander, de kunstenaarsbiograaf, merkte al over hem op dat hij ‘seer inventijf van Landtschappen’ was.

Twee beroemde series danken hun verbreiding aan de firma Cock. De ‘grote landschappen’ van Pieter Bruegel zijn indrukwekkende taferelen op een formaat van 30 bij 40 centimeter waarop zich machtige perspectieven uitstrekken. Doorgaans staan we hoog in een berglandschap waar het oog wordt meegevoerd vanaf de begroeide voorgrond over rivierdalen, langs bospaden en via valleien naar verre verten. Kooplieden, pelgrims, jagers, soldaten en boeren te voet of in hun karren zijn bewegende elementen in dit oneindige landschap. Voor eeuwig op weg. En je weet als kijker: de horizon zullen ze nooit bereiken.

De tweede serie oogt misschien minder spectaculair, maar is in wezen vernieuwender. Deze serie, uit ca. 1560, heet ‘de kleine landschappen’ en gaat terug op het werk van een anonieme tekenaar. Het kenmerkende van deze etsen is dat ze niets bijzonders voorstellen. Geen apocalyptische visioenen, geen moralistisch bijbels verhaal, geen Hieronymussen in afzondering in een vijandig landschap, geen goden verwikkeld in moeizame intriges en ook geen machteloze restanten van het oude Rome. Nee, hier gebeurt helemaal niets. Het zijn verbeeldingen van dorpen, of liever gezegd van hoopjes huizen, van een boerderij, soms een kasteel. Er leidt een weggetje heen en op die weg loopt een herder of een boer. Grote aandacht krijgt de vegetatie – de struiken, de bomen, het gras.

Het is een raadsel wie destijds zo origineel was om deze tekeningen te maken en het is minstens een even groot raadsel waarom niemand hierop is verder gegaan. Althans niet in de eerst volgende vijftig jaar. Pas aan het begin van de 17de eeuw waagden enkele kunstenaars in Haarlem zich aan deze thematiek.

Ook zij tekenden niet veel meer dan een onnozel hoopje huizen, een bospad, een boerenhek. Een genre dat wereldberoemd zou worden: het Hollandse landschap met meesters als Van Goyen, de Ruysdaels en Philips Koninck. Maar toen al, in Antwerpen, zag Hieronymus Cock de mogelijkheden van deze dorpse thematiek. Gaat dat allen zien in Parijs.

Toevallig is er ook een informatief en origineel boek verschenen over een andere, iets latere Antwerpse uitgeverij van prenten, het bedrijf van de oorspronkelijk uit Bolsward afkomstige gebroeders Bote en Schelte Adams. Als katholieken vonden zij zich veel beter thuis in de Scheldestad, waar zij zich omstreeks 1618 vestigden, dan in het protestante Friesland.

De broers legden zich toe op reproductiegrafiek en signeerden daarbij met hun verlatiniseerde namen Boëtius en Scheltus à Bolsward. Aanvankelijk nog werkend in Amsterdam brachten ze werk van Vinckboons, Van Mierevelt en Abraham Bloemaert in prent. Later in Antwerpen ook van Rubens, Van Dyck en Jordaens.

De broers werden zeer geroemd om de wijze waarop ze de kleurige, barokke voorstellingen in zwart wit wisten om te zetten. Kenners uit die tijd beweerden dat hun arceringen en stippels als vanzelf de kleur van het oorspronkelijk werk terugriepen. Daarnaast illustreerde ze katholieke stichtende boekjes en produceerden zij devotieprenten, eenvoudig drukwerk dat de beschouwer bijstond in zijn meditatieve uren en hem steunde in het bewandelen van een vroom levenspad.