De smaak van melk

Het werkwoord ‘missen’ heeft iets onmiskenbaar actiefs. Alsof missen een bezigheid is, iets dat aldoor plaatsvindt. Zoals in een verhaal van Toon Tellegen de eekhoorn de mier mist: „Mier, dacht hij. Mier, mier, mier. De eekhoorn wist dat zulke gedachten niet helpen, maar hij kon ze niet tegenhouden”.

Dat is missen, een hevige drang om iemand of iets te zien, pijn voelen omdat dat niet zo is. Het soort missen waarover Judith Herzberg die uiterst treffende vraag stelde: „Is missen heviger dan hebben?”

Dat soort missen duidt zonneklaar de waarde of het belang van het of de gemiste aan. En als iets weg is en je mist het niet, dan maakt dat ook meteen iets duidelijk: dat was dan niet zo belangrijk.

Maar er is een geheimzinnige tussencategorie. Dat wat je mist zonder het te weten. Het lang niet geziene gezicht waartegen je ineens zucht: „Wat heerlijk om je te zien. Wat heb ik je gemist.” Maar je hebt helemaal niet elke dag ‘mier, mier, mier’ gedacht.

Of, veel gewoner: de smaak van iets. Je drinkt een glas verse, niet gehomogeniseerde melk, melk die naar melk ruikt, en ineens weet je wat je al die jaren dat je dat dunne witte goedje uit die pakken dronk, gemist hebt. Dat geldt ook voor echte wortelen, aardappelen, sla – mensen met een moestuin beginnen altijd meteen over de smaak van verse groenten en je denkt: „het zal wel’’ – want je mist die smaak niet. Tot je hem proeft.

Onlangs was ik in Noord-Duitsland, kerken bekijken. De twaalfde- en dertiende-eeuwse kerken daar zijn verwant met de al even mooie en even oude kerken in Friesland en Groningen, maar de Duitse hebben vaak rijkere interieurs. We gingen de kerk van het vriendelijke plaatsje Otterndorf binnen en stonden meteen met stomheid geslagen. Wat een rijkdom! De prachtige oude koorbanken met beschilderde deurtjes, de preekstoel, gedragen door een uit de grond verrijzend Mozesbeeld en bekleed met kleurig beschilderde panelen van heiligen, de gemetselde bogen in het plafond en de houten tongewelven, je kon eindeloos kijken naar al die kleuren, al die aandacht, al die mooie en liefdevol gemaakte details van hout en houtsnijwerk.

Zulke kerken zijn vaak eigendom van een stichting, de overheid kan of wil ze niet onderhouden. „Die gebouwen staan dan meestal voor nul euro op de balans”, zei één van ons. „Ze zijn op de markt niets waard.”

Geheimzinnige dingen zijn dat toch. Iets dat zo evident van onschatbare waarde is, is in het economische verkeer helemaal van geen enkele waarde. Het illustreert maar weer eens dat economie het hele leven niet is. Maar ook dat je dus in jezelf het gevoel moet wekken dat iets van belang is. Als ik twee maanden geleden in de krant zou hebben gelezen dat de kerk van Otterndorf wegens geldgebrek gesloopt zou worden, zou ik misschien mijn schouders opgehaald hebben. Nu ik hem gezien heb, zou ik het een groot schandaal vinden. Zou ik hem vervolgens missen als men er toch toe over ging? Nee waarschijnlijk, want ik kom daar niet.

Toch zou het een groot gemis zijn, voor de mensheid, voor het leven, voor de beschaving. Het soort gemis dat je niet opmerkt, maar dat wel iets aan je leven verandert. Het maakt het vlakker. Zoals de experimentele theatergroep die is opgeheven je niet elke dag verontrust, je ging er misschien nooit heen, je hebt niet gemerkt dat het toneel vlakker is gaan smaken. Tot je op een dag iets echts ziet of proeft.

Dan weet je pas dat al die tijd, zonder dat je het besefte, iets in je „mier, mier, mier” heeft gezucht.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC Handelsblad.