De handel kruipt waar hij niet gaan kan

Ze zijn onderweg, de onderhandelingen tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie over een vergaande vrijhandelsovereenkomst tussen de twee blokken. In juli sloten vertegenwoordigers van de twee een eerste week van besprekingen af en volgende maand gaan zij verder.

Nu al verloopt de handel tussen de twee blokken bijna zonder hindernissen. Maar van volledig vrije zone is nog geen sprake. De lastigste dossiers staan nog open: overheidsaankopen, landbouw, regelgeving voor de financiële sector en culturele goederen en diensten. Met name die laatste zijn voor Frankrijk, traditioneel de lastigst te overtuigen EU-lidstaat, een potentieel struikelblok omdat het land zijn film- en amusementsindustrie wil beschermen tegen de stoomwals van Hollywood.

De handel tussen de twee blokken is enorm: zij maakt een derde deel uit van alle wereldhandel, en de EU en de VS maken met elkaar tweederde van de wereldeconomie uit. De verwachte voordelen zijn uiterst lastig te calculeren en schattingen moeten met een korrel zout worden genomen. De cijfers die circuleren tonen een verwachte toename van de welvaart met zo’n 100 miljard dollar aan beide kanten van de oceaan en een extra economische groei van enkele tienden van procenten.

Een opmerkelijke trend vergezelt de besprekingen: terwijl de economie de zwaarste crisis doormaakt sinds de jaren dertig, zijn er de afgelopen jaren wereldwijd verrassend weinig handelsbeperkende maatregelen genomen. Deze typische reflex tijdens een economische crisis is goeddeels uitgebleven. Dat heeft vooral te maken met globalisering en transnationaal ondernemerschap. Productieketens omspannen de aardbol en grote bedrijven hebben vestigingen in tal van landen. Veel van de gerapporteerde handel vindt dan ook plaats binnen ondernemingen en zij hebben geen enkele baat bij handelsbeperkingen. Wereldhandelsorganisatie WTO, de Verenigde Naties en de club van rijke industrielanden, de OESO, brachten in juni een rapport uit waarin zij waarschuwden dat er in de afgelopen twaalf maanden 100 handelsbeperkende maatregelen waren genomen, tegen 40 handelsbevorderende. Maar de beperkingen golden voor slechts 0,5 procent van de wereldhandel, en de bevorderende voor 0,7 procent.

Niet al het nieuws is goed: de traditionele, wereldomspannende aanpak van het vrijmaken van de handel is zo goed als vastgelopen. De Doha-ronde, begonnen in 2001, ligt in wezen stil. De nieuwe voorzitter van de WTO, de Braziliaan Roberto Azevedo, mikt nu op een Doha-light overeenkomst die moet gaan om het wegnemen van rompslomp bij de grenzen en voedselveiligheid. Hij heeft zijn hoop gevestigd op een grote WTO-bijeenkomst op Bali, volgende maand. Er circuleert een bedrag van 1000 miljard dollar aan extra mondiale welvaart als Doha-light door zou gaan – voor wat die berekening waard is.

Waar hangt het op? Het lijkt vooral het verzet van opkomende landen te zijn dat de voortgang belemmert. En daar komt, nu daar de groei daar hapert, niet erg veel verbetering in. Want, nee: de BRIC’s, de opkomende industrielanden, zijn geen samenhangende groep – nog eerder een club van concurrenten. En ja: het zwaartepunt van de wereldeconomie verhuist naar de landen rond de Stille Oceaan. Maar natuurlijk samenwerkende partners zijn zij niet.

Misschien dat een conferentie volgende maand in Azië (Bali) onder leiding van een Braziliaan gaat helpen. Maar verwacht er geen wonderen van. Voorlopig zijn er vooral bilaterale en regionale akkoorden zoals die tussen de VS en Europa en tussen de VS en tien Aziatische landen dat ook in de steigers staat. Ideaal is het niet, maar het is beter dan niets: de handel kruipt waar hij niet gaan kan.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.