Wereldkampioen

Obama heeft het moeilijk. Dat Jort Kelder een hekel aan hem heeft, daar kan hij nog wel mee leven, al vraagt hij zich wel eens af of diens vriend Mark Rutte ook zo ongunstig over hem denkt. Van de loyaliteit van premier Balkenende was hij destijds meer overtuigd, vooral nadat die op audiëntie in het Witte Huis was geweest. Michelle had ’s avonds tegen hem gezegd: ,,Het leek wel een schooljongen die kwam vragen of hij je auto mocht wassen.’’

Meer zorgen maakt Obama zich over John Kerry, zijn minister van Buitenlandse Zaken die alsnog probeert de president uit te hangen, nadat George Bush dat in 2004 had voorkomen. Kerry doet reuze principieel en doortastend in zijn toespraken, hij zou het liefst persoonlijk een bommentapijtje over Syrië leggen, maar wie kan daarna de rommel opruimen?

Om Kerry tot bedaren te brengen, overwoog hij hem een mail te sturen met een citaat uit een column van Thomas L. Friedman uit The New York Times: „Kortom, het probleem in heel het Arabische Oosten is niet zozeer gifgas, alswel vergiftigde harten. Elke stam of sekte gelooft in een heers-of-sterf strijd tegen zijn buren, en als iedereen dat gelooft, wordt het vanzelf waar.”

Misschien dat Kerry dan een toontje lager zou zingen, maar waarschijnlijk was dat niet, sinds een losse opmerking van hem opeens tot een opzienbarend vredesinitiatief van Poetin had geleid. Obama huiverde. Die Kerry zou zich nu wel de nieuwe Jezus voelen! Hoe kon hij hem in het gareel houden? Moest hij hem niet vervangen, maar door wie?

Al deze gedachten gingen de afgelopen dagen door Obama heen – ik heb mijn bronnen – maar een beslissing nam hij niet. Zo zit hij nu eenmaal in elkaar: integer, intelligent, maar ook een aarzelaar. Of is hier sprake van een lastige wetmatigheid: hoe meer iemand weet, hoe meer hij twijfelt? Brengt de Nederlandse regering er ook daarom misschien zo weinig van terecht?

Ik heb wel de oplossing voor Obama, maar mijn handicap is dat hij zelden de Achterpagina leest. Toch waag ik een poging. Obama heeft iemand naast zich nodig die dezelfde allure en autoriteit heeft, iemand die in zichzelf gelooft, maar ook graag zijn land dient, iemand die recht praat wat krom is en vice versa, iemand ook die de vervelende jongens en meisjes van de media in moeilijke tijden stevig onder de duim houdt.

Ik kan maar één zo iemand bedenken.

Inderdaad: Louis van Gaal. Hij is bij uitstek degene die het presidentschap van Obama kan versterken en uitdragen. Te beginnen met de persconferenties die hij veel beter zou kunnen leiden dan de onderdeurtjes die dat nu mogen doen. Elke Witte Huis-correspondent die het ook maar even waagt om zijn vinger op te steken, krijgt voortaan te horen: ,,Hoeveel keer heb ik dat nu al moeten uitleggen? En toch probeert u elke keer weer met uw insinuerende vragen de schuld bij de president te leggen. Wij, ik herhaal: wij, nemen dat niet langer!’’

Terwijl de journalist van The New York Times of The Washington Post wegsluipt, roept Van Gaal hem na: ,”Toen ik nog bondscoach van de KNVB was, had ik altijd ruzie met de pers. Ze hadden totaal geen verstand van voetbal, zoals jullie totaal geen verstand van politiek hebben. Ze vonden dat we niets hadden te zoeken op het WK in Brazilië. Maar wie werd er wereldkampioen? Precies! En dankzij wie? Inderdaad! En daarom sta ik nu voor jullie. Ik zal ervoor zorgen dat jullie land wereldkampioen blijft.”