Tijd dat dat meisje hier werkt, is steeds korter

Zuigen, boenen. Ouderen die dat niet meer kunnen, krijgen overheidshulp. Maar steeds minder. Fijn als je dochter dan helpt. „Er is anders niemand die het doet.”

Ze oogt breekbaar. Mevrouw Verroen rijdt met haar rollator naar de voordeur om open te doen. Het is haar Mercedes, zegt ze. Met haar Mercedes kan ze nog best uit de voeten.

Kwetsbaar, maar kraakhelder. 93 jaar. Als haar benen het nog net zo goed zouden doen als haar hoofd, ze tikt met haar wijsvinger tegen haar schedel, dan was er geen vuiltje aan de lucht.

Maar het lichaam werkt niet meer als dertig jaar geleden. Mevrouw Verroen krijg ’s ochtends een half uur hulp bij het wassen en aantrekken van haar steunkousen en ’s avonds een kwartier hulp bij het klaarmaken voor de nacht. Beide keren komt een medewerkster van Thuis in Zorg, een kleine thuiszorgorganisatie in Rotterdam.

Ze laat een A-viertje zien. Daar staat het allemaal op. Julie, Alice, Christine, Lies. Allemaal met tijdsaanduiding bij een dag in de week. „Het zijn lieve meiden”, zegt mevrouw Verroen. „Maar het is allemaal klokkijken hè. Ze moeten wel, anders zijn ze te laat bij de volgende cliënt.”

Stofzuigen, douche en wc schoonmaken, ramen zemen en keukenvloer dweilen, daar komt weer een ander meisje voor. Dat is een meisje van thuiszorginstelling Aafje. Die won de aanbesteding voor huishoudelijke hulp in de Rotterdamse wijk waar mevrouw Verroen woont. Daar heeft ze zelf niets over te zeggen.

De tijd dat dat meisje komt werken, wordt steeds korter. Ook daar heeft ze niks over te zeggen. Eerst kwam ze drie uur per week. Toen werd dat twee uur per week. Toen ging er nog een kwartiertje af. En toen ging er weer een kwartiertje af. Anderhalf uur is te kort, zegt mevrouw Verroen. „Vandaag heeft ze twee ramen gezeemd. Ik heb vijf ramen aan de voorkant, maar ik zeg, doe er maar twee. Dan komen de andere ramen de volgende keer.”

Het meisje werkt goed hoor, ze heeft geen klachten. In het begin een beetje langzaam, maar daar heeft haar dochter wat van gezegd. Nu gaat het goed. Ze heeft er ook wel eens een gehad, die kwam op zulke hakken. Ze houdt haar handen 25 centimeter van elkaar. „Ze had bovendien veel praatjes. En kwam telkens te laat. Dat was niks. Ik heb Aafje gebeld en gezegd: die wil ik niet meer. Je hebt niet veel te zeggen meer, maar dát kón écht niet.”

Dus een wijkverpleegster die even langskomt in de ochtend en de avond en anderhalf uur in de week hulp in de huishouding. Wie doet de rest? De rest doet „haar meissie”. Dat is haar dochter van 73 die ook de zorg heeft voor haar eigen man van 79, die regelmatig naar het ziekenhuis moet. „Je moet wel, hè”, zegt dochter Nel Kuyf aan de telefoon. „Er is anders echt niemand die het doet.”

Op het aanrecht staat versgeperste sinaasappelsap in een kan, en bessensap. In een pannetje schoongemaakte boontjes. Een stukje vlees ligt op een schoteltje op het aanrecht onder een cellofaantje. Geschilde aardappeltjes in een pannetje. Wie heeft dat allemaal klaargemaakt, mevrouw Verroen?

„Mijn dochter. Mijn meissie.”

Boodschappen doet haar dochter ook, ze begeleidt haar naar het ziekenhuis. Haar dochter doet haar was. „Ik hoef niet zuinig te doen. ‘Kijk niet op een stukkie goed, hè ma’, zegt ze dan.” Elke week wast ze haar haar, ze wast ook de vitrages en de overgordijnen. Haar dochter doet vrijwel alles.

Ze zou graag wat meer huishoudelijke hulp willen. Bovenop de kast komt ze nooit. De keukenkastjes eens uitsoppen? Daar is geen tijd voor. De beeldjes afstoffen, ze wijst naar een kast vol porseleinen beeldjes – „echte Hummels”, zegt ze trots – dat moet haar dochter doen. Maar haar dochter doet al zoveel. Elke dag eten brengen, het vlees vaak al gebraden. „Alleen de aardappels kook ik zelf.” Dan eet ik hier. Ze klopt op het Perzisch tafelkleed. „Ik dek de tafel elke avond voor mezelf hoor.”

Ze heeft twee kleindochters, maar die hebben jonge kinderen en werken beiden. „Zo gaat dat tegenwoordig hè, dan kan je niet voor je oma gaan zorgen. Ze wonen ook niet in buurt. Als ze echt nodig zijn, dan komen ze.”

Haar man is een paar maanden geleden overleden. „Ik mis hem toch zo.” 73 jaar waren ze getrouwd. De laatste anderhalf jaar woonde hij in een verpleeghuis. In die tijd ging haar dochter naar haar en dan door naar haar vader in het tehuis. Dan maakte mevrouw Verroen op zaterdag rijstepap met boter, kaneel en suiker. Dat nam haar dochter dan in een krant voor hem mee. „Dat vond hij dan lekker”, zegt mevrouw Verroen en ze lacht vertederd. „Hij at het schaaltje er bijna bij op.”

Mevrouw Verroen wil absoluut niet naar een verzorgingshuis. „Dan heb je echt niets meer over jezelf te zeggen.”