Rampjaar: ‘Seer droevigh’

Gekaapte brieven tonen de sombere stemming van gewone Hollanders in het rampjaar 1672.

Nederlandse en Frans-Engelse vloot tijdens de zeeslag bij Kijkduin op 21 augustus 1673 (Van de Velde, 1707). Boven: opengevouwen omslag van eengekaapte brief die Jan Jacobsen Tinnegieter in 1672 schreef aan Maaike Abrahams. Foto brievenalsbuit.inl.nl

Op 29 mei 1672 laat Barbertje Pieters uit Amsterdam aan haar zoon Pieter Dircksse op Curaçao schrijven: ‘Er wordt hier flink wat volk opgetrommeld voor de schepen en het leger, het is hier heel droevig’ (‘De trommel gaet hier lustigh in swan om volck te water en te lant aen te nemen, het twelck hier seer droevigh is’) ’

Hier klinkt de stem van een gewone vrouw uit 1672, het jaar dat in de Nederlandse geschiedenis bekend staat als het Rampjaar. In april verklaren Frankrijk en Engeland de Republiek de oorlog. Kort daarop volgden Münster en Keulen. Barbertje is in Amsterdam, dat volstroomt met vluchtelingen. Ze is niet zeker of zij haar zoon ooit terug zal zien.

In het oorlogsjaar 1672 is de Republiek in de greep van onrust, onzekerheid en oproer. In hoog tempo volgen de gebeurtenissen elkaar op: zeeslagen met de Engelsen, Fransen die steden innemen, oproeren in Zeeuwse en Hollandse steden, vluchtelingenstromen naar het westen van de Republiek, schepen die worden gekaapt. Die onzekerheid wordt indringend verwoord in de vele brieven die Judith Brouwer, historisch taalkundige, onder de loep nam en waarop ze vandaag in Groningen promoveert.

Over het Rampjaar is al veel geschreven, maar altijd van bovenaf. „Via deze brieven”, vertelt Brouwer ,,kunnen we naar de gebeurtenissen kijken van onderop.”

De brieven worden bewaard in de National Archives in Engeland. Ze behoren tot de ruim duizend Nederlandse poststukken die in de 17de en 18de eeuw in beslag zijn genomen op door Engelsen gekaapte Nederlandse schepen. Die verzameling staat sinds kort op de website brievenalsbuit.inl.nl van de Universiteit Leiden.

Brouwer keek naar de 195 gekaapte brieven uit 1672. De helft daarvan is geschreven door zeemansvrouwen aan hun echtgenoten overzee, in Batavia en op Curacao; de rest door anderen met verre relaties. Ze gaan allemaal over het leven in een land in oorlog. Brouwer: „Dat je in de kustgewesten veilig was, wist men toen nog niet. De Fransen stonden in Utrecht en kwamen tot bij Ouderkerk.”

De meeste brieven komen uit Holland.Slechts een klein deel van de briefschrijvers had de status van ‘burgers’ (poorters), met rechten en privileges in hun woonplaats. Brouwer: „De meesten stonden zo laag op de maatschappelijke ladder dat ik ze niet eens in de doop-, trouw- en begrafenisregisters heb gevonden.”

Het taalgebruik varieert met de maatschappelijke positie. „De eenvoudigste briefschrijvers,” zegt Brouwer, „klampen zich vast aan formules uit zogenoemde ‘brievenboeken’, handleidingen voor het opstellen van een brief. Er zijn grote overeenkomsten tussen de brieven van de laagsten op de sociale ladder en die boeken.”

Brouwer raakte tijdens het brieven lezen regelmatig ontroerd. „Zeemansvrouw Lintje Leenders uit Enkhuizen laat haar zoon Leendert een brief opstellen aan haar man. Hij doet dat keurig in de ik-vorm, namens zijn moeder. Aan het eind van de brief valt hij uit zijn rol. Hij schrijft nog steeds in de ik-vorm, maar dan is hij het ineens zelf en bedankt hij zijn vader voor het rekenboek dat hij hem heeft gestuurd. Onderaan de brief zit een enorme vlek: toen viel het potje inkt waarschijnlijk om. En we lezen over veel ellende. Een echtgenoot, die voor de VOC werkt, heeft zoveel schulden gemaakt dat na zijn vertrek allerlei schuldeisers aan de deur komen, tot en met de barbier. Intussen doen verhalen de ronde dat manlief zich in Batavia klem zuipt. En zij zit met de zorg voor haar zoontje en twee pleegkinderen. Hartverscheurend.”