Nervositeit om EU-verkiezing

Burgers moeten de opvolger van Barroso gaan kiezen. Lastig voor Nederlandse partijen

Het Europees Parlement bijeen in Straatsburg deze week. De Europese verkiezingen van mei spelen nu al volop. Foto Reuters

Echte verkiezingen. Het waren deze week de telkens terugkerende woorden in het gebouw van het Europees Parlement in Straatsburg waar de 754 volksvertegenwoordigers uit de 28 landen van de Europese Unie voor het eerst na het reces voltallig bijeen waren. Tevens het begin van hun laatste politieke seizoen, want in mei van het volgend jaar kiezen de inwoners van Europa een nieuw parlement.

Een heel ander parlement, zo is de algemene verwachting. Met een aanzienlijke hoeveelheid volksvertegenwoordigers die Europa niet zien zitten. Daarmee zal het parlement minder de applausmachine voor Europa zijn, zoals het nu door de critici wordt afgeschilderd. Het zal het gevolg zijn van een anti-Europa-campagne die de in vele lidstaten aan populariteit winnende flankpartijen zullen voeren. Zo’n campagne is dé vrees van de gevestigde partijen die nu nog het Europees Parlement domineren. „Trap niet in de val van degenen die zeggen dat het bij de verkiezingen om voor of tegen Europa gaat. De vraag is hoe Europa uit de crisis komt”, zei voorzitter Martin Schultz van het Parlement gisteren.

Met nog acht maanden te gaan tot de verkiezingen breken de Europarlementariërs zich het hoofd over de vraag hoe ze de kiezer ditmaal gaan verleiden. Een gezicht zegt meer dan een politiek programma. Vandaar hun plan om een soort Europese ‘lijsttrekkers’ te introduceren om de politieke partijfamilies een smoel te geven. En de kiezer meer houvast.

‘Lijsttrekker’ is formeel niet het juiste woord, want kiezers kunnen alleen nationale politici voor het Europees Parlement kiezen. In elk land heeft elke partij zijn eigen lijsttrekker. Maar daarnaast willen de grote politieke stromingen in het Europarlement –christen-democraten, sociaal-democraten, liberalen en Groenen– ook een Europees gezicht presenteren. Hij of zij is hun kandidaat om volgend jaar gekozen te worden als voorzitter van het dagelijks bestuur van de Unie, de Europese Commissie.

De benoeming van deze persoon is tot nu toe het vrijwel het exclusieve domein van regeringsleiders. Maar met het Verdrag van Lissabon uit 2009 kunnen de regeringsleiders niet meer om het Europarlement heen: het parlement moet instemmen met de kandidaat van de regeringsleiders. Die laatsten moeten volgens het verdrag „rekening houden” met de uitslag van de Europese verkiezingen. Dus gaan de partijen in de campagne nu voor het eerst hun voorzitterskandidaat presenteren.

De sociaal-democraten lijken er al uit: de Duitser Martin Schulz, huidig parlementsvoorzitter, wordt algemeen genoemd als hun man. Maar in andere politieke families dreigt de zoektocht naar meer eenheid juist uit te monden in pijnlijk zelfonderzoek. Want in hoeverre, klinkt het daar, zijn we wel echt familie?

Neem de liberale fractie, waartoe VVD en D66 behoren: een naam die circuleert is die van de Belgische oud-premier Guy Verhofstadt. Die pleitte gisteren voor „een kwantumsprong naar Europese integratie”, terwijl ‘familielid’ en medeparlementariër Hans van Baalen bij de presentatie van het Europese VVD-programma ‘Europa waar nodig’ eerder deze week juist pleitte voor minder inmenging uit Brussel.

Daarmee loopt het concept van Europese ‘lijsttrekkers’ meteen al tegen zijn grenzen aan. Sterker nog, zeggen critici, het is koren op de molen van de eurosceptici die men ermee wil aftroeven.

Een Griekse kiezer die socialistisch wil stemmen, stemt ook voor een commissievoorzitter uit grote ‘boeman’ Duitsland, en zal zich misschien twee keer bedenken. En als super-Europeaan Verhofstadt inderdaad het gezicht van de Europese liberalen wordt, wordt het prijsschieten op de VVD. Nederlandse Europarlementariërs lieten gisteren niet na te wijzen op de verschillen tussen de visie van de VVD en de toespraak van Verhofstadt in het parlement.

Het is een probleem waarmee meer Nederlandse partijen te maken kunnen krijgen. Martin Schulz is voor aanzienlijk verdere Europese integratie dan de PvdA. Hetzelfde geldt voor een van de genoemde kandidaten van de christen-democraten, de Luxemburgse eurocommissaris Viviane Reding. Zij gaat veel verder dan het CDA.

De vraag is ook of Europese regeringsleiders zich hun speeltje zo gemakkelijk laten afnemen. De voorzitter van de Europese Commissie maakt onderdeel uit van een grotere namencarrousel. De EU-leiders moeten straks ook hun eigen voorzitter kiezen als opvolger van de christen-democraat Herman van Rompuy. Dan zijn er nog de posten van EU-buitenlandcoördinator en voorzitter van de Eurogroep. Alles hangt met alles samen. Een beslissende stem van het Europees Parlement bij één van de benoemingen is heel lastig.

In de afgelopen decennia viel de keus voor een Commissievoorzitter doorgaans op personen van statuur: een ex-premier of een zittende premier, zoals de Portugees Barroso zelf. Maar door de manoeuvre van het Europees Parlement lijkt dit uitgesloten. Een zittende premier kan zichzelf moeilijk een paar maanden uitlenen aan ‘Europa’ voor een verkiezingsavontuur met een hoogst onzekere uitkomst. Niet voor niets heeft de Poolse christen-democratische premier Tusk, die op de lijstjes stond, laten weten géén kandidaat te zijn.