Minder geld: afhaken of doorspelen

Bij de podiumkunsten beginnen de effecten van de bezuinigingen nu echt zichtbaar te worden. Hoe vergaat het de gezelschappen een jaar nadat ze flink gekort zijn? Dossier over 4 pagina’s

Ze willen door. Aan ruim honderd dans-, theater- en muziekgezelschappen die geen of minder subsidie krijgen dan aangevraagd, vroeg NRC Handelsblad wat ze na de forse cultuurbezuinigingen doen. De conclusie: ze laten zich er niet door klein krijgen. Voorlopig niet. Van meer dan 130 gezelschappen die geen of veel minder subsidie ontvangen dan voorheen, zijn slechts 11 groepen gestopt. Het zijn veelal groepen met een langdurige reputatie als Carver, Onafhankelijk Toneel en Dance Works Rotterdam.

Deze maand is het eerste theater- en muziekseizoen begonnen waarin de effecten van de bezuinigingen van de vorige staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra (VVD) zichtbaar worden. Hij beperkte het aantal grote gezelschappen en orkesten dat structureel subsidie ontvangt van het Rijk. De afvallers, waaronder productiehuizen en veel jeugdgezelschappen, moesten zich wenden tot het Fonds Podiumkunsten, dat subsidies verdeelt over die middelgrote en kleine gezelschappen. Dat fonds kreeg veel meer aanvragers. Maar tegelijkertijd had het een flink kleinere pot om te verdelen – niet 34 miljoen maar 20 miljoen euro.

Een jaar geleden maakte het Fonds de verdeling bekend. Een flink deel van de groepen kreeg wel een positief advies, maar toch geen subsidie omdat er niet genoeg geld was. Bovendien stelde het Fonds maxima aan de subsidies, zodat grotere gezelschappen veel minder geld kregen kregen dan voorheen.

Veel gezelschappen stonden daardoor voor de afweging: doorgaan of stoppen. Hoewel opheffing voor veel groepen een stap te ver was, gaan sommige door met de nodige reserve. „We gaan door op de spaarbrander”, zegt bijvoorbeeld Florian Diepenbrock, zakelijk coördinator van toneelgezelschap ’t Barre Land. Dat behoort tot de gezelschappen die weinig zullen spelen, in de hoop het uit te zingen tot de volgende subsidieperiode. Toneelgroep Het Volk gaat ook door, maar ziet het somber in. „We hebben nog net genoeg mankracht om één voorstelling op poten te zetten”, zegt artistiek leider Bert Bunschoten. „Eerlijk gezegd denk ik dat we nog twee tot drie jaar doormodderen en dan de stekker eruit trekken. Het is een sterfhuisconstructie.”

De meeste andere gezelschappen geven aan met meer ambitie door te knokken. „Niks dood, gladiolen. Voor minder moet je het niet willen doen”, zeggen Geert Jonkers en Rob Kramer van BOT, een muziektheatergezelschap dat tegen de trend in meer optreedt dan ooit. De leden van BOT hebben hun reguliere baan opgezegd om zich te concentreren op hun voorstellingen. „De begrotingen zijn zéér marginaal, maar de plannen waren te mooi om te laten varen. Dan maar op een water- en broodregime.”

Of neem het Nieuw Ensemble in Amsterdam. In december vorig jaar was het voor de leden duidelijk: het muziekgezelschap dat hedendaags klassiek speelt zou zichzelf opheffen. Sinds de oprichting, ruim dertig jaar geleden, had het in zeven kunstenplannen iedere keer meer subsidie gekregen. Het bedrag was in 2012 opgelopen tot 887.801 euro. Maar plotsklaps was het ensemble buiten de toekenningen van het Fonds Podiumkunsten gevallen. Ondanks een positief advies.

Toch staat het ensemble in het net geopende seizoen weer in de Donderdagavondserie van het Muziekgebouw aan ’t IJ. „Met een aantal mensen dachten we: stoppen is niet logisch”, zegt algemeen manager Jasper Berben. „We hebben goede musici, een goede dirigent, goede recensies en we treden op in andere landen, tot China aan toe. En we hebben nog de energie. We hebben tot deze zomer volop doorgespeeld. We hebben nu pas tijd om te bedenken hoe we verder gaan.”

BOT en het Nieuw Ensemble representeren zo de ‘veerkracht’ waar de kunstsector door huidig cultuurminister Jet Bussemaker (PvdA) zo om wordt geprezen. Maar die veerkracht wordt meer opgerekt dan het relatief lage aantal uitvallers suggereert, zo blijkt uit de ruim honderd gesprekken voor dit onderzoek. Gezelschappen die personeel in vaste dienst hadden, zetten dat op straat of dunnen hun organisatie uit tot een minimum. Zakelijk leiders die zich jarenlang hebben ingezet voor een gezelschap, worden vervangen door jonge zzp’ers. Musici en acteurs, die bijna altijd al freelance werkten, krijgen steeds minder vaak volgens de CAO betaald.

Behalve de bezuinigingen op hun eigen subsidie hebben de gezelschappen ook te lijden onder de bezuinigingen van gemeenten op theaters en muziekzalen. Die podia schrappen in hun programmering en bieden minder geld om te komen spelen. „Optreden wordt een veredelde hobby”, zegt Vincent Henar van FraFra Big Band. Zalen zijn bovendien voorzichtiger. „Ze vragen je werk te spelen dat iedereen kent, zeker de kleinere zalen. Wij spelen juist graag dingen die niet iedereen kent, klassiek en hedendaags werk. Het aanbod vervlakt”, zegt Roeland Jagers van het Rubens Quartet.

Bijna de helft van de gezelschappen in het onderzoek krijgt nog subsidie van provincie of gemeente. Voor sommigen betekent dat de redding. Zo heeft Rotterdam de korting op Conny Janssen Danst door het Fonds Podiumkunsten volledig gerepareerd en geeft Amsterdam voor het eerst subsidie aan groepen als Asko/Schönberg, Amsterdam Sinfonietta, het Nederlands Blazersensemble en Mug met de Gouden Tand. Ook het Nieuw Ensemble kreeg zo nog 140.000 euro.

De hoop van veel gezelschappen is nu gericht op het verwerven van een projectsubsidie van het Fonds Podiumkunsten. Maar iedereen dringt om die pot heen en dus grijpen veel gezelschappen mis. En iedereen leurt met zijn projecten bij particuliere fondsen zoals VSB Fonds, Prins Bernhard Cultuurfonds en SNS Reaal Fonds.

De politiek vindt dat culturele instellingen meer bedrijven als sponsor moeten werven of het publiek tot schenkingen moet bewegen. Dat blijkt erg moeilijk. Minder dan twintig gezelschappen melden sponsors gevonden te hebben. Ook met crowdfunding, vriendenverenigingen en andere manieren om geld bij particulieren op te halen worden slechts bescheiden successen gehaald.

De tijd die gaat zitten in het aan elkaar knopen van de eindjes gaat ten koste van het ontwikkelen van nieuwe voorstellingen. Niek Idelenburg, artistiek en zakelijk leider van Holland Opera: „Toen ik begon besteedde ik 20 procent van mijn tijd aan het zakelijke en 80 procent aan het artistieke. Dat is nu omgekeerd.”

Voor een enkeling is het wegvallen van de subsidie een bevrijding. „Het is prettig om geen verplichtingen meer te hebben”, zegt Lotte van den Berg van OMSK, die door het buitenland rondreist met haar voorstelling Agoraphobia. „Als ik geld had gekregen van het Fonds, had ik ook een aantal voorstellingen in Nederland moeten maken. Dan had ik internationaal niet zo mijn vleugels kunnen uitslaan.”