Het tijdperk van het reizende kunstwerk

Je ziet het steeds vaker: musea die aankondigen dat ze een unieke bruikleen in huis hebben. Het Amsterdam Museum dat voor eventjes Rembrandts portret van Saskia van Uylenburgh mag lenen van de National Gallery in Washington. Het Van Gogh Museum dat tijdelijk Van Goghs Slaapkamer, afkomstig uit The Art Institute of Chicago, mag herenigen met de Slaapkamer uit de eigen collectie. Je zou er als museumbezoeker verwend van raken. De mooiste, duurste en onvervangbaarste kunstwerken reizen speciaal voor ons de wereld over en zijn opeens om de hoek te zien.

The National Gallery in Londen maakte deze week bekend dat een van zijn bekendste werken, Manets Executie van Maximiliaan, als een soort popster drie jaar lang door Engeland gaat trekken op een ‘Masterpiece Tour’. „Niet iedereen kan naar Trafalgar Square reizen”, aldus directeur Nicholas Penny”. Het museum brengt het schilderij daarom graag „naar de voordeur van het publiek”. De kunst komt als vanzelf naar ons toe.

Vorige week zag ik hoe in het Nanjing Museum in China een eeuwenoude Mingvaas, met een waarde die in de miljoenen loopt, werd ingepakt om op transport naar Amsterdam te gaan. Vanaf oktober zal het kwetsbare object, een van China’s ‘National Treasures’, te zien zijn op een grote Ming-tentoonstelling in De Nieuwe Kerk. Museumdirecteur Lumin Huang had het volste vertrouwen in de goede afloop, maar ik vond het toch een enge gedachte, dat die vaas straks op weg naar het vliegveld het drukke verkeer van Nanjing zou moeten trotseren.

Eeuwen geleden moesten kunstenaars en kunsttoeristen op reis naar Rome als ze de schatten uit de klassieke oudheid wilden bestuderen. Nu worden die schatten verpakt in schokvrije kisten met klimaatregeling en is de rij voor de kassa de enige hobbel die we moeten overwinnen. Maar worden we er niet ook een beetje lui van? Zouden die schilders tijdens hun Rome-reis beter hebben gekeken, juist omdat ze er zoveel moeite voor hadden moeten doen? En is het niet ook gewoon leuk om zo’n kunstpelgrimstocht te maken?

Afgelopen maand was ik op vakantie in Schotland. Ik wist dat vlak over de grens met Engeland een van mijn favoriete kunstenaars, James Turrell, een permanent kunstwerk had gemaakt in het natuurpark Kielder. Ik moest er een dag voor omrijden, de huurauto achterlaten op een parkeerplaats en te voet verder de bergen in wandelen. Na een half uur bereikte ik Turrells kunstwerk, een koepel met een rond gat in het dak waardoor je de Britse wolken in rap tempo voorbij zag waaien. Het regende, maar de zon scheen ook. Het was er fantastisch, in dat hemelse gewelf, met alleen het geruis van dennenbomen op de achtergrond. Ik moest denken aan Turrell, die deze voettocht ook meermalen moest hebben gemaakt. Precies hier, op deze mooie berg, had hij zijn kunstwerk bedoeld, en nergens anders.

Op de weg terug kwam ik een ouder echtpaar tegen die me vroegen of het nog ver was en of het kunstwerk de klim wel waard was. „Het is spectaculair”, zei ik, „een plek waar je de hemel kunt aanraken – als je bereid bent er een beetje moeite voor te doen.”