Fringe brengt theater op de rafelige plekjes van de stad

Sauna, steeg, sportcentrum, seksclub. Naast het allesomvattende theateraanbod – van weerzinwekkend tot waanzinnig – is een van de grote attracties van het Fringe Festival de plek waar je dat theater kan zien.

Het festival opent in heel Amsterdam deuren die anders gesloten blijven, of lokt je naar plekken die je normaal liever mijdt. De Fringe biedt locatietheater met de afvoerputjes en rafelrandjes van de stad als decor.

Zoals het ‘erotische café’ Sameplace op de Nassaukade. Vaak met verbazing langs gefietst, nu kun je zomaar naar binnen, zonder gêne, zonder kleerscheuren.

Team Tony speelt er de voorstelling Sameplace. Over de geharde carrièrevrouw Dora (Tonje Langeveld) die door haar vaste gigolo wordt afgezegd, en zich geconfronteerd ziet met een vervanger. Maar deze Juan (Xander van Vledder) ontregelt haar. Hij wil dansen, zoekt echt contact. De machinale bevrediging die ze gewend is blijft uit. Als hun ontmoeting uiteindelijk toch geconsumeerd wordt, is ze erna onzeker – voor het eerst. In een mooie monoloog leren we ook Juan beter kennen: een gekwelde denker in een identiteitscrisis.

Sameplace is niet in alle opzichten is geslaagd: de tekst is wat onevenwichtig – dan weer aards, dan poëtisch – en de lange seksscène, met Titanic-verwijzing, is flauw. Maar het idee is goed, er wordt prima geacteerd en er kan weinig op tegen de locatie. Giechelig en aarzelend neemt het publiek plaats op het paaldanspodiumpje – of misschien toch maar die zwart rubberen matras? Het is treurig en fascinerend tegelijk is dit domein van publieke, vrijblijvende seks. De eenzaamheid van de personages wordt hier bijzonder goed invoelbaar.

Seks is op de Fringe altijd goed vertegenwoordigd, en dan ligt smakeloosheid op de loer. Muziektheatercollectief Club Gewalt lukt het niet om de voorstelling Carnavalskinderen interessant te houden, ondanks het geestige concept: de acht acteurs, verkleed als Superman of Pipi Langkous, spelen bastaardkinderen, verwekt tijdens carnaval door anonieme vaders. Maar de personages blijven karikaturen en hun verhalen worden slecht uitgewerkt. De bewust jolige toon en – uiteraard – vele platte carnavalskrakers maken elke verdieping kansloos. Dan blijft het bij meezingen. „Roei ’em d’r maar in, roei ’em d’r maar in; ik ben misschien niet nat maar ik heb toch echt wel zin” – dat werk.

De voorstelling Lazaret Immorale van Le directeur is zelfs zo scabreus dat het weer grappig wordt. Man gekweld door erectiestoornis, slechte strippers gehuld in verpleegsterskostuum, en natuurlijk een angstaanjagende Herr Dokter, die in lange leren Nazi-jas en op klassieke muziek de scalpel hanteert. Volgt nog een weerzinwekkend stop-motionfilmpje waarin een scherp mesje het beklagenswaardige lichaamsdeel (van klei) bewerkt, et voilà: triomfantelijk verheft zich weer iets onder het laken. Jammer eigenlijk dat deze freakshow in het keurige Perdu staat geprogrammeerd; een sm-kelder had hier nog een leuke dimensie aan toegevoegd.

Beter op zijn plek in literair café Perdu is Thom Pain, ofwel acteur Albert Pretorius die een monoloog van de Amerikaanse toneelschrijver Will Eno speelt. Ogenschijnlijk is dit stand-upcomedy, maar gaandeweg ontspint zich een fraai gelaagd levensverhaal, waarin anekdotes uit de jeugd van Pain en herinneringen aan een verloren liefde knap aan elkaar worden geknoopt.

Pain is een poëtisch fantast, een onbetrouwbaar verteller en eigenlijk een ronduit deerniswekkende figuur. Steeds blijkt de werkelijkheid minder mooi dan hij het even daarvoor deed voorkomen. En toch, hoe droevig zijn leven uiteindelijk ook is, zijn woorden wekken schitterende werelden op.

Zo wordt dit pijnlijke verhaal een hartroerende ode aan het bestaan. Van smakeloze strippers tot stand-upexistentialisme – dat zijn de vrolijk makende uitersten van de Fringe.