Europees Parlement wil minder brandstof uit voedselgewassen

Biobrandstof uit voedselgewas-sen is niet echt duurzaam.

Europees Parlement eist een beperking.

Het Europees Parlement heeft gisteren besloten om het gebruik van voedselgewassen voor brandstof aan banden te leggen. Vanaf 2020 mag maximaal 6 procent van transportbrandstoffen afkomstig zijn uit voedselgewassen.

„Voedsel hoort niet in een benzinetank te verdwijnen”, zegt Bas Eickhout (GroenLinks), die namens de Groenen in het EP heeft onderhandeld over de nieuwe wetgeving.

Uit gewassen als koolzaad, graan, maïs, soja en suiker worden biobrandstoffen gemaakt als ethanol en biodiesel. Deze brandstoffen gelden als duurzaam en worden daarom in toenemende mate ingezet om fossiele brandstoffen te vervangen.

Maar de milieubeweging stelt dat deze biobrandstoffen – in tegenstelling tot echte duurzame biobrandstoffen uit bijvoorbeeld groente-, tuin- en fruitafval – een ongewild effect hebben. Het telen van de voedselgewassen zou leiden tot evenveel uitstoot van broeikasgassen als de fossiele brandstoffen. Bovendien kan het leiden tot krapte op de voedselmarkt met hogere prijzen als gevolg.

Voorstanders van een breed gebruik van biobrandstoffen en vertegenwoordigers van landbouworganisaties zijn fel gekant tegen de beperking. Vooral in het oosten van Europa worden op grote schaal voedselgewassen verbouwd voor biobrandstoffen.

In 2008 heeft de Europese Unie bepaald dat in 2020 elke lidstaat 10 procent van zijn vervoer op biobrandstof moet laten rijden. Die 10 procent wordt nu verlaagd naar 6 procent, als het aan het Europarlement ligt. De maatregel moet nog door de afzonderlijke lidstaten worden bekrachtigd.

In een reactie zegt Eickhout dat het verschil van mening weliswaar om een klein percentage gaat, maar „de harde waarheid is, dat dit kleine verschil eten kan betekenen voor 17 miljoen mensen per jaar”, aldus de Europarlementariër.