Dreigende schilderijen uit het tropische paradijs

In de National Gallery in Edinburgh overdondert Peter Doig met zijn kleurrijke schilderijen, in de afgelopen tien jaar gemaakt op Trinidad.

Peter Doig, ‘100 Years Ago’, uit 2001. Olieverf op doek, 229x359 cm. Het schilderij, een sleutelwerk uit Doigs oeuvre, is een ode aanMatisse Collectie Centre Pompidou, Parijs

Zou het echt vogelpoep zijn? Op het schilderij Grand Riviere (2001) van Peter Doig, te zien op zijn meesterlijke tentoonstelling No Foreign Lands in de Schotse National Gallery, prijken kleine kloddertjes witte smurrie. Natuurlijk, het is waarschijnlijk gewoon witte olieverf, gemengd met een kwakje groen of blauw. In het diepblauwe water van de rivier die Doig schilderde, vormen de spetters kleine felle schitteringen. Maar het zou kunnen, vogelpoep. Doig woont en werkt sinds 2002 op het Caraïbische eiland Trinidad. Het atelier dat hij er bouwde, heeft ramen die niet dicht kunnen. Soms, zo vertelde hij onlangs in een interview aan The New York Times, treft hij zijn schilderijen ’s ochtends omver gewaaid aan of nat van de regen. Dat er soms ook een vogel naar binnen vliegt, is dus niet eens zo’n gekke gedachte.

Een mooi idee ook: de peperdure schilderijen van Peter Doig, die op Trinidad aan de elementen zijn overgeleverd. Afgelopen februari nog werd een van zijn doeken, The Architect’s Home in the Ravine uit 1991, bij Christie’s in Londen geveild voor 7,7 miljoen pond (9,1 miljoen euro). Doig is daarmee, samen met Gerhard Richter, de duurste levende schilder ter wereld. Maar zelf moet hij niet veel van de gekte van de kunstmarkt hebben. „Die kant van het succes moet je negeren”, zei Doig in een interview. „Je moet oogkleppen opzetten, anders kun je jezelf nooit ontwikkelen.” Vandaar ook zijn zelfgekozen vorm van ballingschap op Trinidad, ver weg van de hectiek van de kunstwereld.

De Schotse National Gallery haalt Doig met deze tentoonstelling binnen als een verloren zoon. De schilder werd in 1959 in Edinburgh geboren, maar verhuisde toen hij twee was met zijn ouders naar Trinidad, waar hij tot zijn zevende woonde. Als tiener groeide hij op in Montreal – in die stad is No Foreign Lands volgend jaar te zien – maar hij verliet het ouderlijk huis al op zijn zeventiende om rond te gaan zwerven door Canada. Hij werkte op olieplatforms en sliep in verlaten schuren en boerderijen – plekken die later in zijn schilderijen zouden opduiken. In 1979 vertrok hij naar Londen om aan de St. Martins School of Art te gaan studeren. Hij koos voor de schilderkunst, in een tijd dat vrijwel niemand meer schilderde. Na zijn afstuderen keerde Doig terug naar Montreal, om vervolgens in 1989 toch weer voor Londen te kiezen.

Het waren precies de jaren dat de Young British Artists in Londen furore maakten met hun shockerende conceptuele kunstwerken. Daarbij vergeleken waren de landschappen van Doig op het romantische af. Hij schilderde dromerige, geïdealiseerde beelden van de Canadese wildernis, die hij baseerde op foto’s uit vakantiebrochures. Op zijn doeken schaatsen donkere silhouetten over bevroren meren en liggen landhuizen of blokhutten verscholen achter witte berkenstammen. Mooie, pastorale landschappen zijn het, die tegelijkertijd ook altijd iets benauwends of claustrofobisch hebben. Alsof die blokhutten in het bos ook perfect als decors voor horrorfilms zouden kunnen dienen.

In de catalogus die bij No Foreign Lands is verschenen, omschrijft Doig zijn werk uit die Londense jaren als „agressief anders” dan dat van de YBA’s. Doig wilde zijn publiek niet voor de kop stoten, zoals Damien Hirst of Tracy Emin deden. In plaats daarvan durfde hij de kijker weer te laten genieten van de schoonheid van het geschilderde oppervlak. Tegen de stroom in bleef hij ploeteren op schilderijen waarin voor de toeschouwer altijd veel te beleven valt. Zijn voorstellingen uit de jaren negentig zijn stuk voor stuk duizelingwekkend mooi, hallucinerend haast. De wirwar van takken en elektriciteitsdraden, de stippen van sneeuwvlokken en sterrenhemels, ze doen soms denken aan het abstract-expressionistische geweld van Jackson Pollock. De ruwe berkenbasten en korstige akkers herinneren aan de aardse schilderijen van Anselm Kiefer.

Maar op de tentoonstelling in Edinburgh laat Doig zich van een geheel andere kant zien. No Foreign Lands beslaat de periode na 2000, het jaar waarin de schilder voor het eerst sinds zijn jeugd weer terugkeerde naar Trinidad om er als artist-in-residence te werken. Het is ook het jaar waarin Doig in het St. Louis Museum of Art plots oog in oog kwam te staan met Matisses werk Baadsters met schildpad uit 1908. „Een van de meest buitengewone schilderijen die ik ooit heb gezien”, aldus Doig in de catalogus. „Een schilderij zo onspecifiek dat het de tijd lijkt te ontkennen.”

De ontmoeting vormde een keerpunt in zijn oeuvre. Niet lang daarna schilderde Doig 100 Years Ago, een schilderij met net zo’n eenvoudige vlakverdeling van zee, horizon en lucht als bij Matisse. Alleen hebben de baadsters bij hem plaatsgemaakt voor een langharige man in een rode kano, een motief dat hij ontleende aan de horrorfilm Friday the 13th.

Het schilderij 100 Years Ago (2001) is in Edinburgh prominent in de eerste zaal gehangen, als een duidelijk statement, een manifest. Deze tentoonstelling, zo snap je direct, is een ode aan de schilders die honderd jaar geleden de kunstwereld lieten schrikken met hun radicale kleurgebruik. Een eerbetoon aan Matisse, maar ook aan andere grote coloristen als Bonnard, Cézanne en Gauguin. Vooral Gauguin resoneert veelvuldig op deze tentoonstelling. Het felle groen en rood van Doigs Cricket Painting (Paragrand) (2006-12) lijkt rechtstreeks aan diens werk Maternité (1899) ontleend.

Net als Gauguin vond ook Doig nieuwe inspiratie op een tropisch eiland. Die exotische omgeving heeft een duidelijk stempel op Doigs recente schilderijen gedrukt. De kale stammen en ijzige luchten van Canada hebben plaatsgemaakt voor weelderige palmbomen en warme kleuren. In Canada waren er altijd takken die het uitzicht versperden, nu is er ruimte voor de horizon, voor de zee die overgaat in de wolkenloze hemel. Het is alsof Doigs schilderijen op Trinidad meer lucht hebben gekregen. Waren zijn werken vroeger opgebouwd uit dikke verfklodders – een criticus vergeleek zijn techniek eens met platgetrapte kauwgom –, nu verdunt hij zijn olieverf zodanig dat je dwars door de transparante lagen heen kunt kijken. Bij Black Curtain (2004), een fantastisch uitzicht op een nachtelijke baai, is het alsof we door een beslagen ruit kijken. Alsof er vitrage voor het schilderij hangt die mee beweegt als je erlangs loopt, zo zindert deze voorstelling.

Lopend door de verschillende zalen moest ik steeds aan andere grootheden uit de kunstgeschiedenis denken. Aan de leegheid van De Chirico en Hopper, aan de kleuren van Munch en De Kooning, aan de zwembaden van Hockney en de vensters van Rothko. Wat niet wil zeggen dat Doig een navolger is. Hij laat zien wie zijn helden zijn. Maar hij behoudt altijd zijn eigen signatuur. Deze schitterende verzameling kunstwerken kan alleen maar nu, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, gemaakt zijn door hem, Peter Doig.

Wat gebleven is, is de dreigende, raadselachtige sfeer die uit de schilderijen spreekt. Doig schildert Trinidad niet als een idyllisch paradijs. Kijk naar Pelican uit 2004, een schilderij dat verslag doet van een verontrustende gebeurtenis die Doig zelf meemaakte. Op het palmenstrand sleept een man een dode pelikaan achter zich aan, als een visser die zijn netten voorttrekt. Hij heeft het beest zojuist gedood door het aan zijn nek rond te draaien, waarschijnlijk met het doel hem op te eten. Doig heeft de man in ijle verfstreken neergezet, alsof hij nog slechts een vage herinnering is – een spookachtige verschijning die langzaam oplost in de achtergrond.

Wat ook gebleven is, is het toeval, de spontaniteit. De „ongelukjes in het schilderproces”, zoals Doig die noemt, en die zijn kunstwerken zo fijn onvoorspelbaar maken. Een druiper die kan uitgroeien tot een waterval. Een vlek die een rotsblok wordt. Of, zo je wilt, een sterrenhemel gemaakt van vogelpoep.

Peter Doig, ‘No Foreign Lands’. T/m 3 nov in de Scottish National Gallery, The Mound, Edinburgh. Inl: www.nationalgalleries.org. Daarna van 25 jan t/m 8 juni 2014 te zien in het Montreal Museum of Fine Arts. Inl: www.mbam.qc.ca Catalogus € 44,00.